international marxist tendency nederland

We zien een toenemende klassenstrijd in Nederland. Traditioneel zijn de zomermaanden een rustige periode, maar deze zomer hebben we een reeks strijdbare stakingen gezien.  Zo kwamen de buschauffeurs van het regiovervoer in actie, maar ook metaalarbeiders, piloten en zorgmedewerkers in de universitaire ziekenhuizen.

Het jaar 2017 was volgens het CBS al een piekjaar wat betreft stakingen. Deze stelt dat er voor het eerst in 29 jaar 32 stakingen waren met 306.000 werkdagen die verloren gingen. In 2018 zijn er al in 18 beroepsgroepen stakingen gepland, iets wat waarschijnlijk nog verder op zal lopen.

Deze toename van strijd op het economische front, toont aan dat alle pessimisten binnen 'links' en de arbeidersbeweging ongelijk hadden. Voor hen betekende de laatste verkiezingsuitslag een verschuiving naar rechts; zij geloven niet in het potentieel dat de Nederlandse arbeidersklasse heeft. Voor ons marxisten ligt het anders. Wij hebben vertrouwen in de arbeidersklasse wereldwijd, ook die in Nederland. Onder invloed van grote gebeurtenissen verandert het bewustzijn.

In ons laatste perspectievendocument schreven wij: "Jarenlang werd het 'sociaal akkoord' verdedigd [door de FNV-leiding] om 'samen uit de crisis te komen'. Het gevolg is dat de werkende klasse de rekening mocht betalen. Het verder dalende ledental zorgt ervoor dat de vakbondsbureaucratie nu wanhopig probeert om dit tij te keren, desnoods met wat meer strijdbare uitspattingen.
De verdeeldheid binnen de heersende klasse over de wenselijkheid van een loonstijging, wordt nu aangegrepen door de bonden om een looneis van 3,5% te stellen. CNV stelt zelfs dat 'het tijdperk van loonmatiging voorbij is'.
De werkgevers zullen dit niet zomaar geven. Er zal strijd gevoerd moeten worden. Juist nu er beperkte groei is en de werkloosheid gedaald is, kan deze strijd nu gemakkelijker gevoerd worden dan in tijden van crisis. Indien de vakbonden een duidelijk en sterk offensief voeren, zou dit het begin kunnen zijn van een nieuw offensief van klassenstrijd in Nederland."

Het is precies de economische groei die betere omstandigheden geschapen heeft voor een offensief. Jarenlang werd de hoge werkloosheid gebruikt om werknemers in het gareel te houden: 'ben je niet tevreden? Er zijn 10 anderen die jouw baan willen.' De crisis werd gebruikt om de lonen jarenlang te drukken, de intensiteit op te voeren en overal 'flexcontracten' in te voeren. De failliete politiek van de vakbondsbureaucraten heeft dit alles laten gebeuren.

Nu de PvdA praktisch weggevaagd is en we een rechts kabinet hebben, moesten de bonden wel met offensieve eisen komen, al is het maar om niet meer leden te verliezen. Niettemin heeft de FNV-leiding geen duidelijke landelijke strategie, maar zien we nu vooral veel strijdbare initiatieven vanuit verschillende sectoren zelf.

De meeste stakingen gaan over looneisen, maar ook het verminderen van de werkdruk is iets wat steeds terugkomt. De grote stakingsbeweging van de basisschoolleraren gaat precies over dit laatste, maar ook het gebrek aan toiletpauzes bij de buschauffeurs bijvoorbeeld. De waarheid is dat het economisch herstel grotendeels heeft plaatsgevonden over de ruggen  van de werkende klasse, door verhoogde uitbuiting: harder werken voor hetzelfde geld.

Nu politici, economen en de media constant spreken over een groot herstel, is er meer bereidheid vanuit de werkende klasse om te eisen dat zij ook wat van dat herstel te zien krijgt. Het grotere aantal vacatures versterkt hierbij de positie van de werknemers, omdat de grote werkloosheid van enkele jaren geleden niet meer tegen hen gebruikt kan worden.

Dit is het begin van een nieuw offensief. Er is strijdbaarheid genoeg. Wat er ontbreekt is een duidelijk landelijk programma van de FNV om de strijd in verschillende sectoren te verenigen rond een eisenpakket. Ondanks dat er een officiële 'FNV-Offensief' campagne is, zijn er vooralsnog weinig concrete landelijke acties geweest. Een grote landelijke demo van FNV en andere bonden, tegen het kabinet Rutte III, kan een eerste opstapje zijn naar verdere acties.

Afschaffing van flexcontracten en payroll, een verkorting van de werkweek naar 30 uur met loonsbehoud, een minimumloon van 15 euro, pensioenleeftijd omlaag naar 60 jaar: dit zijn eisen die de beweging vooruit kunnen brengen. Dit is echter ook een politieke kwestie: welke partij gaat ervoor strijden? Ondanks de grote nederlaag van de PvdA, zien we bij de SP ook stagnatie plaatsvinden en trekt deze partij veel minder mensen dan tijdens de grote golf van arbeidersstrijd in 2004-05.

Indien de SP niet fundamenteel verandert en zich niet aanpast aan de nieuwe situatie, dreigt verdere stagnatie en inzakking. Een focus op een verenigd front met de strijdbare vakbonden, en een duidelijke  socialistische politiek die zowel de geavanceerde lagen van de werkende klasse als linkse jongeren kan aantrekken, kan het tij doen keren.

De geest is uit de fles. Het jaar 2018 zal verdere acties zien die de beweging vooruit kunnen brengen en de werkende klasse zelfverzekerder kunnen maken. Dit is nodig na jaren van verzwakking als gevolg van een tandeloze leiding. De huidige economische groei zal op een gegeven moment plaatsmaken voor een nieuwe crisis, gevolgd door een nieuw offensief van de werkgevers. Enkel een sterkere arbeidersbeweging kan dit offensief kapotslaan en de tegenaanval inzetten.

Deel dit artikel
FaceBook  Twitter