international marxist tendency nederland

We publiceren een artikel van de Britse marxistische theoreticus Ted Grant over arbeiderscontrole en -participatie. Ondanks het gegeven dat het artikel bijna 40 jaar oud is, heeft het aan relevantie niets ingeboet. In een tijd van nationaliseringen (ABN AMRO, SNS Reaal) en economische crisis biedt het een duidelijke visie op de noodzakelijke stappen die genomen moeten worden om afscheid te kunnen nemen van het kapitalisme.

Dit artikel is geschreven door Ted Grant en verscheen op 19 juli 1974 in de Militant. Ondanks het gegeven dat het artikel bijna 40 jaar oud is, heeft het aan relevantie niets ingeboet. In een tijd van nationaliseringen (ABN AMRO, SNS Reaal) en economische crisis biedt het een duidelijke visie op de noodzakelijke stappen die genomen moeten worden om afscheid te kunnen nemen van het kapitalisme. Het artikel is tevens een krachtige waarschuwing voor de leugenachtigheid van de kapitalisten in hun pogingen om de vrede te bewaren. Vertaald door Thomas Roode.

- De redactie van Vonk


 

In heel kapitalistisch Europa wordt het idee van arbeiderscontrole of ‘industriële democratie’ besproken binnen de arbeidersbeweging en op de pagina’s van de kapitalistische pers. Dit is geen toeval. Dit is deels een reactie op de groeiende strijdlust van de arbeidersbeweging, zoals wordt aangetoond door de gebeurtenissen in Frankrijk in mei 1968, de mijnwerkersstakingen in Groot-Brittannië in 1972 en 1974, de algemene stakingen in Italië en Denemarken en de golf van onofficiële stakingen in West-Duitsland.

De strategen van het kapitaal zijn steeds vaker op zoek naar manieren om deze acties te voorkomen, bijvoorbeeld ‘sociaal partnerschap.’ Door arbeiders te betrekking bij de bedrijfsvoering, hopen de werkgevers op meer efficiëntie en hogere winsten. Elke afgevaardigde van de werkvloer is bekend met de inefficiëntie en stompzinnigheid van het management. Alleen door samen te werken met de arbeiders kan de productiviteit toenemen. Dus het is geen wonder dat de meer vooruitziende werkgevers het idee van ‘arbeidersparticipatie’ steunen.

Al in 1927 wilde de Britse chemietycoon Sir Alfred Mond ‘arbeidersraden’ in het leven roepen. Zijn doel was duidelijk. Deze raden waren bedoeld om het management toegang te geven tot informatie van de werkvloer, zodat de wens van arbeiders om meer invloed te hebben in veilige banen geleid kon worden. Kortom, het waren machteloze comités die de arbeiders in staat stelden om stoom af te blazen. Zij probeerden de leiders van de arbeiders in een positie te manoeuvreren waarbij ze verantwoordelijk waren voor beslissingen die feitelijk genomen werden door het management. Tegelijkertijd gaf dit de arbeiders het idee dat ze invloed hadden op de besluitvorming, zodat zij niet zelfstandig in actie zouden komen.

Dit is een belangrijk punt. Vanaf het begin zijn dit soort ‘arbeidersraden’ een middel geweest voor het verzwakken van de positie van de vakbonden in de fabrieken. Ze proberen echte arbeidersorganisaties, zoals vakbonden, te vervangen door dit soort ‘arbeidersraden.’ Dit wordt ook erkend door kapitalistische deskundigen. De Industrial Welfare Society schrijft: “De algemene indruk is dat de meerderheid van de bedrijven niet volledig overtuigd is van de noodzaak voor formele raadpleging van de werknemers, maar het slechts gebruiken voor het doen van mededelingen en de arbeiders gelegenheid te geven stoom af te blazen.” Maar feit blijft dat dit soort organen blijven bestaan in hun oorspronkelijke vorm, en dan met name bij de overheid en de genationaliseerde industrieën.

Arbeidersdirecteuren

Het kapitalistische idee van ‘arbeidersparticipatie’ is nu uitgebreid met het idee van ‘arbeidersdirecteuren’ die onder bepaalde voorwaarden zitting hebben in de directie van een bedrijf. De Confederation of British Industy (CBI) is positief verrast door het ‘succes’ van arbeidersdirecteuren in de British Steel Corporation. Dit is echter niet zo verrassend als je de opmerkingen van deze £ 10.000 per jaar verdienende directeuren leest in de Sunday Times van 7 november 1971:

·         “Natuurlijk zijn we niet echt directieleden. We hebben niets te maken met de besluitvorming.”

·         “Ik zie mezelf als een doodnormale manager, niet als een arbeider.”

·         “Een arbeider in de directie zou rampzalig zijn. We moeten vrij zijn om de kant van het management te kiezen als we denken dat dit de juiste beslissing is.”

·         “Ik vind dat er nooit een goede reden is voor een onofficiële staking.”

·         “Ik ben een socialist, maar niet van het type-Michael Foot. Ik lijk meer op Jenkins; Roy natuurlijk, niet Clive.” [Roy Jenkins was de toenmalige leider in de rechtervleugel van de Labour Party, terwijl Clive Jenkins een vakbondsman was – red.]

Het is duidelijk dat ‘arbeidersparticipatie’ niets oplevert voor de arbeiders als dit het bestaan van dit soort arbeidersdirecteuren betekent, hoewel dit wel de aanbeveling was van de Trades Union Congress (TUC) aan de Commissie-Donovan in 1968. [De Commissie-Donovan was een parlementaire onderzoekscommissie die zich bezig hield met hervorming van de arbeidsmarkt –red.] In het algemeen is de houding van de vakbondsleiders niet duidelijk. Jack Jones, de leider van de Transport and General Workers' Union (TGWU), schreef in 1970 een pamflet getiteld “The Right to Participate: key to Industrial Progress” waarin hij pleit voor een vorm van ‘representatieve participatie’ waarbij ‘managers en arbeiders met elkaar samenwerken.’ Zulke vage uitspraken ontkennen het bestaan van de klassenstrijd op de werkvloer. Jack Jones ging dan ook niet verder dan zijn steun uitspreken voor de hervormingen bij Imperial Chemical Industry (ICI), waar de vakbondsafgevaardigden de rol overnamen van de arbeidersvertegenwoordigers in de arbeidersraden. In de afgelopen zes maanden heeft het CBI een rapport gepubliceerd over werknemersparticipatie, en zowel de TUC als de Labour Party zijn naar voren gekomen met nieuwe voorstellen.

Alle voorgestelde ideeën komen neer op een systeem van medezeggenschap dat in West-Duitsland werd geïntroduceerd. Hierbij kiezen de arbeiders een derde of de helft van de Raad van Commissarissen, die op zijn beurt toezicht houdt op de directie. Alleen in de West-Duitse mijn- en staalindustrie kiezen de arbeiders de helft van de RvC en hebben ze het recht om een aantal leden van de vakbond te nomineren. In de rest van de sectoren mogen arbeiders slechts een derde kiezen en mogen geen leden van de vakbond genomineerd worden. De CBI is bereid om soortgelijke voorstellen in Groot-Brittannië te steunen. Dit is niet verrassend wanneer we bedenken dat de arbeidersraden binnen dit systeem geen stakingen mogen uitroepen en het de vakbonden negeert. Het partijbestuur van de Labour Party formuleert het als volgt in een rapport uit 1967: “waar medezeggenschap de leden van de arbeidersraden dichter bij het management brengt, ontstaat er een nieuwe laag van industriële functionarissen… een geprivilegieerde bovenste laag van de arbeidersklasse.”

Zelfs het officiële Duitse rapport over de effecten van medezeggenschap gaf toe dat “de individuele werknemer merkt gewoonlijk vrij weinig van dit systeem. Hoewel hij in staat is om klachten en suggesties in te dienen en ontvangt hij regelmatig belangrijke informatie, heeft hij een kleine kans om daadwerkelijk betrokken te worden bij de inrichting van zijn eigen werkzaamheden.” Met andere woorden, er is niets veranderd sinds de dagen van Sir Alfred Mond! Hierdoor is het teleurstellend dat zowel de TUC en de Labour Party in dit soort systemen een vorm van ‘arbeiderscontrole’ zien. De TUC wil dat het Duitse systeem wordt ingesteld bij bedrijven met meer dan 2.000 werknemers, maar met een directie die voor 50% wordt gekozen door de vakbond. Dit is ook het voornaamste idee van het rapport “The Community and the Company” van de Labour Party: “Het dualisme van arbeidersvertegenwoordiging via de vakbonden en via de arbeidersraden, stelt de werknemers in staat om de arbeidersraden uit te spelen tegen de vakbonden.” The Times vond dit voorstel “onlogisch” en “absurd” omdat “leden van de directie verantwoording moeten afleggen aan het bedrijf” en niet aan “externe organen” zoals de vakbonden! Alsof de aandeelhouders en de bankiers geen ‘externe organen’ zijn!

Maar zijn de voorstellen van de TUC en de Labour Party echt een stap richting arbeiderscontrole? De Labour Party stelt dat arbeiderscontrole niet praktisch is in de private sector!! Maar het trekt niet uit deze stelling de conclusie dat de private sector genationaliseerd dient te worden. En waarom zou slechts 50% van de directie gekozen mogen worden door de vakbond? Hier geeft het rapport van de Labour Party geen antwoord op. Wat gebeurt er als er een patstelling is binnen de directie tussen het management en de vakbond? Het rapport geeft geen ander antwoord dan de benoeming van een ‘neutrale’ voorzitter die de beslissende stem in zijn bezit heeft! Maar ook de directieleden die door de vakbond worden gekozen “moeten erkennen dat hun recht om verslag uit te brengen aan de arbeiders beperkt dient te worden door bedrijfsgeheimen, omdat het bedrijf anders haar concurrentiepositie verslechterd.” Het is echter niet de taak van de vakbonden om de winstmarges van individuele bedrijven te beschermen, maar juist om de omstandigheden van de arbeiders te verbeteren en om de arbeidersbeweging ertoe te bewegen een einde te maken aan het stelsel van private winsten.

De werkgevers en enkele leden van de rechtervleugel van de Labour Party zijn veel duidelijker over het verschil tussen ‘participatie’ en ‘controle.’ Parlementslid John Stonehouse zegt het als volgt: “We moeten een duidelijk onderscheid maken tussen arbeidersparticipatie en arbeiderscontrole. De eerste is acceptabel, de tweede niet. De ervaring met coöperatief management leert dat de benodigde vaardigheden hiervoor niet bij iedereen ontwikkeld kan worden.” Deze geringschattende houding jegens de vaardigheden van de arbeiders botst met de alledaagse realiteiten van de werkvloer. De mogelijkheden van de arbeiders om leiding te geven blijkt niet alleen uit de stroom ideeën die van de werkvloer naar het management wordt gestuurd, maar ook door de prestaties van de teamleiders om het werk in zijn team zodanig in te richten dat er optimaal geproduceerd wordt. In deze voorbeelden vindt men al de kiem van arbeiderscontrole, maar deze wordt zeer beperkt door de macht van het inefficiënte management en de eisen van het kapitalistische systeem zelf.

Het is feitelijk niet in het belang van de arbeiders om verantwoordelijkheid te nemen voor de inrichting van de productie zonder werkelijke macht in het maken van beslissingen in een bedrijf. Elke arbeider kan zich herkennen in het verhaal van parlementslid Joe Ashton in de Labour Weekly van 28 juni 1974 over zijn eerste baan in een fabriek in Sheffield waar hij vol enthousiasme en met de beste ideeën aan begon. Hij ontdekte een manier om het werk twee keer zo snel te doen. Hij werd echter tegengehouden door zijn collega’s die vonden dat hij het langzamer aan moest doen. Hij schonk hier geen aandacht aan en werd door het management geprezen om zijn efficiëntie. De volgende dag kreeg hij te horen dat hij nog maar de helft betaald kreeg voor zijn klussen als eerder, omdat hij nu twee keer zoveel kon doen! Het gevolg was geen salarisverhoging, maar wel een verhoging van de winst. Op deze manier eindigde de ‘arbeidersparticipatie’ van Joe Ashton en duizenden arbeiders die hetzelfde hebben meegemaakt!

Echte arbeiderscontrole is: controle door de arbeiders in de dagelijkse activiteiten van een bedrijf, zodat de beslissingen van het management en de werkgevers continu worden gecheckt en verandert als dat noodzakelijk is. Het betekent dat de arbeiders inzage hebben in de in- en uitgaven van het bedrijf. Het is de macht die op jaloerse wijze door de kapitalistische klasse om goede redenen wordt verdedigd. Zoals Lenin heeft gezegd: “De wet omtrent bedrijfsgeheimen dient niet de productie of handel, maar de verrijking in haar meest wrede vorm. Het helpt de fraude die, zoals bekend, vooral voorkomt in naamloze vennootschappen en wordt verborgen in onnodig ingewikkelde rapporten. Bedrijfsgeheimen dienen enkel de privileges en de winsten van een handvol mensen jegens het hele volk.” Het is niet voldoende om over de informatie te beschikken die het bedrijf zelf publiceert. Echte arbeiderscontrole betekent de onthulling van de schandalen en de zwendels die plaatsvinden in de bestuurskamers van de rijken.

Het rapport van de Labour Party geeft hier genoeg voorbeelden van: handel met voorkennis, dubieuze overnames, illegaal gebruik van bedrijfsgelden. Dit zijn volgens de werkgevers allemaal ‘bedrijfsgeheimen’ die niet onthuld mogen worden door de arbeidersdirecteuren. Het voorstel van de Labour Party om openheid te geven over de salarissen van de directie, de investeringen, de inkomensverdeling binnen een fabriek en de handel in aandelen zijn een goede stap voorwaarts, maar ze zijn een dermate grote bedreiging voor de kapitalisten dat de arbeidersbeweging capituleert ten overstaan van het verzet door de werkgevers of verder gaan richting volledige arbeiderscontrole van de bedrijven. Om de macht over te nemen in de kantoren en fabrieken is een complete mobilisering van de arbeidersbedrijven noodzakelijk. Trotski: “Dit leidt rechtstreeks tot het vraagstuk van overheidseigendom van de industrie, met andere woorden de onteigening van de kapitalisten door een arbeidersregering. Arbeiderscontrole is hierin niet het einddoel. De controle is een overgangsmaatregel te midden van de klassenstrijd en dient enkel als brug naar de revolutionaire nationalisering van de private sector.”

Bezettingen

In dit kader kunnen de positieve en negatieve elementen van de stakingen en bezettingen die in het recente verleden zijn uitgevoerd worden geanalyseerd. De bezetting van de LIP horlogefabriek in Besançon (Frankrijk) in 1973 laat zien dat de arbeiders een fabriek kunnen leiden zonder een bestuurskamer vol kapitalisten. Maar zulke activiteiten blijven beperkt als ze los staan van de algemene strijd voor een socialistische transformatie van de economie. Waar arbeiderscontrole ontstaat vanaf de werkvloer, begint arbeidersmanagement aan de top en dit is alleen zinvol in een socialistische planeconomie. De controle van een of meerdere fabrieken zoals in Spanje in 1936 of Chili in 1972-1973 betekent niet het einde van het kapitalisme of de kapitalistische staat. De kapitalisten blijven onvermijdelijk aan het hoofd van de economie waarin arbeiderscontrole niet permanent volgehouden kan worden.

De arbeiders in de LIP fabriek waren uiteindelijk gedwongen compromissen te sluiten met de kapitalisten, waarbij de fabriek weer in hun handen kwam en waar zelfs het recht op werk niet konden worden afgedwongen. Zelfs het arbeiderscoöperatief dat is opgezet met subsidie van de overheid in de Triumph-fabriek in Meriden is niet hetzelfde als arbeiderscontrole. Het werknemersbestand is flink uitgedund en de lonen zijn verlaagd. Het coöperatief heeft alleen zeggenschap over de productie, terwijl de verkoop en marketing in handen blijven van de werkgevers van Norton Villiers, dat Triumph in 1972 heeft overgenomen. En uiteraard is er geen enkele garantie dat als er, ondanks de subsidies, geen winst wordt gemaakt, dat de werkgevers de verkoop-, inkoop- en financiële afdelingen niet zullen sluiten. De arbeiders van de LIP fabriek zeiden zelf al tijdens hun strijd: “We wilden niet in de val en een arbeiderscoöperatief trappen, omdat het beheer door de arbeiders de schuld zou krijgen mocht het project mislukken vanwege de isolatie. Je kunt niet stellen dat het kapitalisme een ‘een eiland van arbeiderscontrole’ zal accepteren in haar midden.” Zonder arbeidersmanagement in de economie kan arbeiderscontrole in de fabrieken niet lang volgehouden worden.

Arbeidersmanagement

De eis voor arbeiderscontrole maakt in die zin slechts deel uit van een overgangsprogramma dat door de arbeiders wordt gebruikt voor de volledige socialistische transformatie van de maatschappij. Het is niet het einddoel, zoals enkele stromingen binnen de arbeidersbeweging claimen. Waar arbeiderscontrole ontstaat vanaf de werkvloer, begint arbeidersmanagement aan de top en dit is alleen zinvol in een socialistische planeconomie. Arbeidersmanagement betekent dat de leiding binnen de economie bij de arbeiders ligt en dat alle groeiplannen en investeringen worden gedaan met het oog op het vullen van de behoeftes van het volk. Socialisten zijn geen syndicalisten, die op hun beurt denken dat de controle van individuele fabrieken of sectoren leidt tot een harmonieus verloop van de economie zonder algeheel zeggenschap over de economie door de arbeiders.

Dit houdt in dat het eigendom van de industrie niet in handen van de kapitalisten kan blijven. Alleen publiek eigendom van de grote multinationals garandeert het voorbestaan van arbeidersmanagement en van arbeiderscontrole in de individuele fabrieken. Arbeiders richten nieuwe instanties op voor het runnen van de economie, zoals de Sovjets die in Rusland in 1917 ontstonden. Deze instanties omvatten alle lagen van de arbeidersklasse, van huisvrouwen tot gepensioneerden en van vakbonden tot studenten. Regelmatige verkiezingen, waarbij de gekozen functionarissen elk moment teruggeroepen kunnen worden en alleen het gemiddelde salaris verdienen, beschermen de arbeiders tegen de groei van een machtswellustige bureaucratie. Deze maatregelen werden voor het eerst ingesteld door de Commune van Parijs in 1871 en overgenomen door Lenin en de Bolsjewieken in 1917.

In Groot-Brittannië worden de genationaliseerde delen van de industrie op bureaucratische wijze geleid door veel van de voormalige kapitalistische eigenaars of gepensioneerde legerofficieren met torenhoge salarissen. De enige arbeiderscontrole binnen deze ondernemingen komt van de strijd van de teamleiders tegen het management. Juist het gegeven dat de arbeiders in de publieke sector geen enkele controle hebben over hun eigen bedrijven, vormt ironisch genoeg het voornaamste argument van de Conservatieve Partij tegen de plannen van Labour om meer sectoren te nationaliseren.

Genationaliseerde industrieën

Desondanks werd de bureaucratische structuur van de genationaliseerde industrieën geïntroduceerd door vicepremier Herbert Morrison en andere rechtse Labour leiders onder directe druk van de kapitalisten en de Conservatieven tijdens het kabinet-Attlee van 1945-1950. De Labour Party moet terugkeren naar de principes die werden aangenomen door de partijcongressen van 1931 en 1937, die stellen dat de voormalige eigenaren van de genationaliseerde industrieën geen verdere zeggenschap mogen hebben en dat de hoogte van de salarissen en arbeidsomstandigheden van de arbeiders als eerste veranderd moeten worden.

We moeten een systeem eisen waarbij de directies van de huidige genationaliseerde bedrijven voor de meerderheid bestaan uit arbeiders. Een derde moet worden gekozen door de vakbonden, een derde door de arbeiders op de werkvloer en een derde door de overheid. Op deze manier hebben de arbeiders een meerderheid tegen elke vorm van bureaucratisering. Tegelijkertijd worden op deze manier de belangen van de arbeidersklasse in de economie als geheel beschermt. Vakbondsleiders zoals Ray Buckton (van de spoorwegvakbond ASLEF) hebben in het openbaar hun steun uitgesproken voor een dergelijk plan.

Alleen als onderdeel van dit programma kan de zinloosheid van ‘participatie’ onthuld worden en het echte alternatief van arbeiderscontrole en –management worden uitgelegd. De huidige voorstellen van de Labour Party en de TUC zorgen al voor genoeg kopzorgen bij de werkgevers, maar ze zijn niet genoeg om een weg te bieden voor de arbeidersbeweging richting een einde van de macht van de kapitalistische klasse. Het zijn voorstellen die zijn gebaseerd op het voorbestaan van het kapitalisme. Een echt programma voor arbeiderscontrole is een stap in de richting van de afschaffing van kapitalisme. Alleen dat biedt de garantie dat elk aspect van het leven van de arbeiders niet langer wordt bepaald door een handjevol plutocratische miljonairs.

Deel dit artikel
FaceBook  Twitter