De instorting van de liberale wereldorde
De situatie van het Nederlandse kapitalisme kan niet los gezien worden van de gigantische crises en verschuivingen binnen het wereldkapitalisme – in het bijzonder de instorting van de liberale wereldorde.
Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog is het Nederlandse kapitalisme onderdeel geweest van de zogenaamde ‘liberale wereldorde’ en de ‘trans-Atlantische alliantie’. Het misdadige koloniale avontuur van 1945-49 om Indonesië opnieuw te domineren, faalde door heldhaftig verzet van de Indonesiërs, waarna het Amerikaans imperialisme druk uitoefende op Nederland om Indonesië los te laten en zich te focussen op de NAVO en economische integratie van kapitalistisch West-Europa.
Sindsdien is de Nederlandse heersende klasse verbonden geweest aan het Amerikaans imperialisme, als een van de meest slaafse volgelingen in West-Europa, terwijl het gelijktijdig binnen de Europese Gemeenschap en EU kon profiteren van de gemeenschappelijke markt voor goederen en kapitaal. De kleine Europese landen konden via de EU en andere ‘multilaterale instituties’ hun imperialistische economische politiek van kapitaalexport voortzetten.
Dit alles was mogelijk in een context van economische opbloei, in de decennia na de Tweede Wereldoorlog. De VS, de grootste kapitalistische economische en militaire macht, subsidieerde als het ware de Europese machten via haar militaire uitgaven, om zo een blok te vormen tegen de gedeformeerde arbeidersstaten van de USSR en het Oostblok. In deze omstandigheden kon de heersende klasse van handelsgerichte Europese landen zoals Nederland relatief profiteren van de ‘liberale wereldorde’, helemaal toen de instorting van de USSR ertoe leidde dat de VS de enige grootmacht op aarde werd en ze haar politiek-economische wil kon opleggen aan de meeste andere landen op aarde.
De relatieve neergang van het Amerikaans imperialisme heeft echter de materiële basis van deze wereldorde ondermijnd. Het falen van langdurige imperialistische oorlogen in Afghanistan en Irak, met alle financiële en menselijke kosten die erbij kwamen kijken, samen met de grote klap van de crisis van 2008, hebben het Amerikaans imperialisme verzwakt. De Amerikaanse staatsschuld is gelijk aan 125 procent van het bbp. Na de Tweede Wereldoorlog had de VS een aandeel van 50% in het wereld-bbp. In 2023 was dit gedaald naar 26%. Hoewel de VS nog steeds de grootste economie ter wereld is, heeft het niet meer de middelen om de rol te spelen van mondiale politieagent.
De buitenlandse politiek van Trumps tweede regering is de nagel in de doodskist van de trans-Atlantische ‘liberale wereldorde’. Verre van slechts de grillen van een ‘gekke’ president te zijn, is dit een teken dat Trump de limieten van het Amerikaanse imperialisme erkent en zich hoofdzakelijk richt op de ‘eigen’ invloedssfeer, het westelijk halfrond. De inval in Venezuela, de dreigementen tegen Colombia, Mexico en Cuba, en de pogingen om de controle over Groenland te krijgen, zijn hier allemaal recente tekenen van. Dit brengt het Amerikaans imperialisme in conflict met de belangen van China, maar ook de EU-landen.
Dit betekent het einde van de traditionele relatie met Europa. Het onderhandelen met Rusland om tot een vredesakkoord in Oekraïne te komen, toonde al aan hoe Trump de belangen van de Europese imperialisten negeert. Het conflict over Groenland liet openlijk zien met welke minachting het Amerikaans imperialisme naar de Europese machten kijkt. Het protectionistische handelsbeleid van Trump is erop gericht om Amerikaanse bedrijven te steunen, ten koste van o.a. Europese bedrijven.
De opkomst van Rusland en bovenal China is onderdeel van een tektonische verschuiving in de wereldbetrekkingen. Hoewel China nog niet de VS in absolute termen gaat inhalen, is het een jonge dynamische imperialistische macht die steeds meer invloed heeft in Azië, Afrika en Latijns-Amerika, en een belangrijke producent van geavanceerde technologieën zoals elektrische voertuigen, AI en robots.
De ‘multipolaire’ wereld die is ontstaan door de opkomst van Rusland en China betekent ook dat veel regionale machten (Turkije, India, de Golfstaten, Israël) relatief onafhankelijker zijn geworden en meer kunnen balanceren tussen de grootmachten. Verre van een tijdperk van stabiliteit, leidt dit echter tot nog meer conflicten waarbij grotere en kleinere imperialistische machten een vinger in de pap hebben.
De EU is de grote verliezer van deze verschuivingen, aangezien ze niet meer kan meeliften op de VS om haar imperialistische belangen veilig te stellen. Decennialang hebben EU-imperialisten de VS gesteund bij haar invasies, terwijl ze nu waarschuwen tegen “het recht van de sterkste” bij Groenland, niet uit zorgen voor de soevereiniteit, maar omdat het nu hun eigen invloed raakt. Uiteraard gaat het hier niet om vrijheid en soevereiniteit, maar om de vervanging van het ene imperialisme door het andere. Om die reden zien we nu een groot herbewapeningsprogramma, dat wordt betaald door de werkende klasse, om de imperialistische belangen van de Europese heersende klasse in Oost-Europa, het Midden-Oosten en Afrika te dienen.
In deze nieuwe wereld-wanorde doen de heersende klassen er alles aan om de lasten van het protectionisme, de staatsschuld, en het ‘verbeteren van de concurrentiepositie’ af te schuiven op de werkende klasse en de jeugd. Dit heeft in de herfst van 2025 geleid tot een revolutionaire golf, de zogenaamde Gen-Z-revolutie, met opstandige bewegingen in Indonesië, Nepal, Madagaskar, Marokko en Peru. Dichter bij huis hebben we een massabeweging van onderop tegen bezuinigingen gezien in Frankrijk (Bloquons Tout) en in Italië een politieke staking tegen Israëls genocide in Gaza. Deze bewegingen tonen de toekomst voor Europa en Nederland.
Nederlandse economie
Het is duidelijk dat de internationale omstandigheden niet gunstig zijn voor de Nederlandse heersende klasse. Protectionistische maatregelen van de VS raken de exportgerichte Nederlandse economie. Hoewel de EU heeft kunnen afdwingen dat de Amerikaanse importheffingen voor de meeste Europese producten 15% zijn, is dit verre van een overwinning; ertegenover staat namelijk dat de EU zelf de invoerrechten van Amerikaanse producten niet verhoogd heeft.
Terwijl Nederlandse machines, elektrische apparaten en aardolieproducten duurder worden in de VS en er hierdoor minder geld binnenkomt, is het tegengestelde dus niet het geval. De afhankelijkheid van Amerikaans gas sinds het begin van de Oekraïne-oorlog, betekent dat het handelsevenwicht verslechtert. Zoals Trumps dreigementen met extra heffingen na het sturen van twee(!) Nederlandse militairen naar Groenland aantonen, zijn er zeker nieuwe heffingen mogelijk die het handelsevenwicht verder verslechteren.
Deze hoge energiekosten, het gevolg van het afsnijden van de goedkope Russische gastoevoer, hebben meer gevolgen voor de economie. Net als in Duitsland zetten ze de industrie sterk onder druk, met mogelijk zelfs de-industrialisatie als gevolg. De chemische industrie in het bijzonder heeft in 2025 een golf sluitingen gezien, vooral in Limburg en de Rotterdamse haven. Daarnaast is de bouw van nieuwe brandstoffabrieken van Shell en BP in Rotterdam gestaakt.
Het afsnijden van het Russisch gas was een kortzichtige beleidskeuze, gebaseerd op het idee dat Poetins regime door sancties snel zou vallen en plaats zou maken voor een pro-westers marionettenregime. Nu is de Nederlandse industrie afhankelijk geworden van duur Amerikaans gas, terwijl problemen met netcongestie (als gevolg van jarenlange onderinvesteringen vanuit overheden) een snelle transitie naar duurzame alternatieven in de weg zitten.
Het is echter niet alleen de energieprijs die de (chemische) industrie onder druk zet. De concurrentie van het opkomende China is een even belangrijke factor. Een combinatie van geavanceerde industrie en goedkopere lonen zorgt voor toenemende dominantie van Chinese producten en kapitaal. Dit is niet iets wat Nederland à la Trump kan tegengaan door middel van heffingen en verboden. De ingreep van minister Karremans bij chipproducent Nexperia (om te voorkomen dat de Chinese eigenaar Wingtech het bedrijf mogelijk zou verplaatsen) leidde tot een Chinees exportverbod voor deze chips naar de Duitse auto-industrie, wat uiteraard onmiddellijk tot EU-druk leidde op Nederland om in te binden. Alleen in EU-verband kan Nederland iets betekenen, maar de 27 Europese heersende klassen hebben hun eigen belangen die niet altijd op één lijn staan, zoals Nexperia laat zien.
De Nederlandse economie heeft het jarenlang relatief goed gedaan binnen de EU. Er was sprake van kleine, maar bovengemiddelde groei. De werkloosheid was jarenlang rond de 3%; de meeste mensen die wilden werken konden iets krijgen; er was en is nog steeds een arbeidstekort in verschillende sectoren. De situatie begint nu echter te veranderen.
De werkloosheid is nu voor het eerst sinds 2021 (covid-tijd) gestegen tot 4%. De stijging was het sterkst in de industrie en de overheid. Met de bezuinigingen op hoger onderwijs en het dalende aantal studenten kunnen we verwachten dat we daar ook toenemende werkloosheid zullen zien. Intussen blijft de inflatie steken rond de 3%, boven het Europees gemiddelde van 2,1%. Dit is allemaal gebaseerd op de huidige trends. Wanneer er een nieuwe internationale recessie komt, bijvoorbeeld wegens het knappen van de zeepbel rondom AI, of problemen met schaduwbankieren, zullen de negatieve effecten nog veel sterker zijn.
De heersende klasse maakt zich zorgen. Werkgeversverenigingen, in het bijzonder die van de industrie en de havens, trekken aan de bel en eisen een ‘visie’ en ‘langetermijnplan’. Het probleem is precies dat de burgerlijke politici in deze tijd geen visies en langetermijnplannen hebben. De visie reikt niet verder dan de volgende Tweede Kamerverkiezingen. Dit kortetermijndenken weerspiegelt een crisis van de burgerlijke democratie, met een reeks zwakke regeringen die veelal het einde van de rit niet halen. Waar er in de 24 jaar tussen januari 1978-2002 in totaal 6 Tweede Kamerverkiezingen waren, waren dat er in de 24 jaar erna (tot januari 2026) in totaal 9. Deze politieke instabiliteit zal het relatieve economische afglijden verder versterken.
Het einde van de relatieve economische uitzonderingspositie van Nederland en de toenemende problemen in de industrie, zullen samen met alle andere crises – de woningcrisis, de stikstofcrisis, de netcongestie, de asielopvangcrisis – leiden tot een ‘polycrisis’, een groot geheel waarin oplossingen voor crisis A belemmerd worden door crisis B en C. Deze ‘perfect storm’ van stagnatie betekent dat Nederland zelfs in absolute zin economisch in verval kan raken. Enkel een socialistische economie kan deze crises tegelijk oplossen door middel van een overkoepelend plan waarbij we de productiemiddelen en bestaande grond en woonruimte rationeel benutten. Zolang we echter onder het kapitalisme leven, zullen we vooral zien dat deze crises het bewustzijn van de werkende klasse en jeugd beïnvloeden.
Onvrede onder de werkende klasse
Het onvermogen van kapitalistische politici om de bovengenoemde problemen op te lossen, leidt tot groeiende onvrede en een daling van het vertrouwen in de burgerlijke politieke instituties. Het SCP meldde dat in oktober 59% van de Nederlandse bevolking vond dat het de verkeerde kant opgaat met het land en ontevreden was met de politiek.
Er is in 2025 een trend onder liberale burgerlijke economen en commentatoren om constant te benoemen hoe goed we het in Nederland eigenlijk wel niet hebben; om alle onvrede af te schilderen als onderdeel van de Nederlandse volksaard, of als het gevolg van ‘populisten’ of algoritmes op sociale media. Onderdeel hiervan is om te pretenderen dat de inflatie van de laatste jaren al lang gecompenseerd is door loonstijgingen, en dat het juist de looneisen van de vakbonden zouden zijn die verdere inflatie zouden aanjagen (de mythische loon-prijsspiraal).
Het Centraal Economisch Plan 2025 van het CPB stelt tegelijk dat de reële lonen in 2025 eindelijk na jaren weer het niveau van 2021 bereiken. Dit laat zien dat de loon-prijsspiraal onzin is, want als alle loonsverhogingen door hoge inflatie tenietgedaan zouden worden, was dit herstel van reële lonen onmogelijk geweest. Het is precies de klassenstrijd van 2023-24 geweest, in combinatie met een relatief arbeidstekort, die deze correctie kon doorvoeren.
Terug op het niveau van 2021 betekent echter alsnog dat er sprake is van vier verloren jaren. De inflatie in Nederland blijft in oktober 2025 daarnaast boven de 3% hangen. Plannen om in 2026 de brandstofprijzen 6 cent per liter te verhogen en de treinkaartjes bij de NS met 6 procent te doen stijgen, zijn voorbeelden hoe politiek soberheidsbeleid de inflatie niet omlaag helpt.
Onvrede is verder geen zuivere kwestie van hoeveel euro’s en centen men aan het eind van de maand overhoudt. In de periode van economische opbloei direct na de Tweede Wereldoorlog was de absolute levensstandaard lager, maar was er optimisme onder de werkende klasse omdat het leek dat er een gouden toekomst in het verschiet lag en de situatie voor de kinderen en kleinkinderen beter zou zijn dan voor hen.
De eerder beschreven situatie van ‘polycrisis’ zorgt voor een algeheel gevoel van stagnatie in Nederland, een gevoel dat we met z’n allen in vastzitten in een moeras waar zelfzuchtige ruziënde politici ons niet uit gaan redden. Het meest schrijnende probleem is de woningnood, het gebrek aan betaalbare huur- en koopwoningen. De heersende klasse kan dit probleem maar deels aanpakken: er wordt door stikstofproblematiek en bureaucratie te weinig gebouwd; waar wel gebouwd wordt, domineren de particuliere projectontwikkelaars die vooral bouwen voor het duurdere segment. Maatregelen als extra prijsregulering van vrijesectorhuur hebben geleid tot de verkoop van deze panden, waardoor er tijdelijk meer koopwoningen zijn maar minder panden overblijven voor bepaalde categorieën huurders.
Enkel een socialistisch plan, met nationalisering van de bouwbedrijven en de grond en een landelijk gecoördineerd bouwplan voor alle segmenten, samen met de onteigening en transformatie van alle leegstaande ruimten, kan de woningnood oplossen. Kapitalistische oplossingen zijn halfslachtig en vaak tijdelijk, en werken als een waterbed: men drukt één probleem weg en creëert verderop een nieuw probleem.
De onvrede met de politiek leidde in 2023 tot de overwinning van de partijen van het kabinet-Schoof. Twee jaar later is de situatie alweer totaal anders. Een partij als NSC kon bijna uit het niets opkomen en 20 zetels halen, om twee jaar later uit de Kamer te verdwijnen. Twee weken voor de verkiezingen van 2025 gaf 40% van de kiezers aan nog te zweven. Een herstel van de burgerlijke ‘middenpartijen’ zal dan ook van tijdelijke aard zijn.
Perspectieven voor het nieuwe kabinet
Het nieuwe minderheidskabinet-Jetten zal niet fundamenteel anders handelen dan het kabinet-Schoof. Er wordt meer nadruk gelegd op het ‘haalbare’ en op ‘samenwerken in het landsbelang’, maar voor de rest hebben we te maken met een kapitalistische regering in verslechterende economische omstandigheden, die problemen moet oplossen die massale investeringen vergen, terwijl er gelijktijdig druk is om te bezuinigen en de defensie-uitgaven op te schroeven.
Het kabinet gaat dan ook hard bezuinigen op de zorg en de sociale zekerheid. De zorg is te duur, roept men al jaren, en daarom gaat er verder beknibbeld worden op het basispakket. Het eigen risico wordt flink verhoogd. Het idee is dat de staatsuitgaven omlaag moeten door de werkende klasse en middenklasse meer te laten betalen, onder het mom van eigen verantwoordelijkheid. Met betrekking tot de sociale zekerheid komen we oude afgestofte argumenten tegen over de nood om te ‘stimuleren’ dat mensen meer gaan werken, over de noodzaak om concurrerend te blijven, etc. Dit wordt gebruikt voor aanvallen op de WW en het verder verhogen van de AOW-leeftijd.
De onderwijsbezuinigingen van het kabinet-Schoof zijn van tafel. Dit is het resultaat geweest van de strijdbare gezamenlijke mobilisaties van studenten en onderwijspersoneel. Deze overwinning laat zien dat strijd loont. Tegelijkertijd mogen we hier geen illusies maken. Een deel van de heersende klasse vreest de economische gevolgen van onderwijsbezuinigingen op de lange termijn en was nooit enthousiast over de bezuinigingen. Daarnaast, terwijl er hier bezuinigingen worden teruggedraaid, duiken elders nieuwe bezuinigingen op, zoals in de zorg, die studenten en onderwijspersoneel ongetwijfeld ook zullen raken. Dat is het waterbedeffect van het kapitalisme: problemen worden niet opgelost, maar verplaatst. Daarom kan de studenten- en arbeidersbeweging zeker niet op de kabinetsplannen vertrouwen.
Wat betreft de kwestie van Gaza is het mogelijk dat een nieuw kabinet iets van symbolische concessies gaat doen. Dit om tegemoet te komen aan de massale Rode Lijn-demonstraties, de grootste demonstraties in Nederland sinds de vakbondsbetogingen van 2004. Tegelijk is een echte breuk met Israël en zijn militaire complex zeer onwaarschijnlijk, aangezien dit tegen de belangen van de Nederlandse heersende klasse ingaat.
Het nieuwe kabinet-Jetten zet in op militarisering, met €19 miljard extra voor defensie, nieuwe wapensystemen, nieuwe kazernes, etc. In dit stadium is nog een meerderheid van de bevolking voor hogere uitgaven aan het leger. Dat is niet onlogisch, gezien de constante hysterie over de ‘Russische dreiging’, de instabiele wereldsituatie, etc.
Interessant is dat toen Ipsos I&O aan de vooravond van de NAVO-top in juni vroeg of men voor de NAVO-norm was, 42% aangaf voor te zijn; toen er vervolgens gevraagd werd of ze ook voor waren als dit geld weggehaald werd bij wonen, zorg of asielopvang, was nog maar 31% voor en 33% tegen. Oftewel, de gewone Nederlandse arbeider of middenstander wil veiligheid, maar wil niet dat er gemilitariseerd wordt ten koste van bezuinigingen elders.
Dit kabinet gaat echter precies zowel militariseren als bezuinigen, om de belangen van de kapitalisten te dienen. Dit zal de onvrede verder verhogen en een tegenreactie van de werkende klasse uitlokken.
De Nederlandse heersende klasse heeft nog wel een voordeel dat ze kan gebruiken: een relatief lage staatsschuld van rond de 45% van het bbp, een van de laagste in de EU. Echter, het is juist door deze lage staatsschuld dat de rente(last) laag is. Als de staatsschuld constant gebruikt gaat worden om sociale plooien glad te strijken, zal de rente omhoog gaan en Nederland qua rentebetalingen richting het EU-gemiddelde afglijden. Meer geld voor rentebetalingen betekent minder geld voor andere uitgaven. Linksom of rechtsom is het perspectief er een van economische verslechtering en meer druk op de werkende klasse.
Rechtse demagogen niet verslagen
Ondanks de jubelstemming onder liberale politici en commentatoren, wegens de verkiezingswinst van D66, is het duidelijk dat de reactionair-rechtse demagogen niet verslagen zijn. Wilders’ PVV heeft niet lang genoeg in het kabinet-Schoof gezeten om gezien te worden als medeplichtig aan grote aanvallen op de werkende klasse, waardoor een groot deel van de aanhang is gebleven. Het verlies bij de PVV werd daarnaast volledig gecompenseerd door zetelgroei bij JA21 en Forum voor Democratie. Die laatste is sinds de verkiezingen verder gegroeid in de peilingen (14 zetels in januari 2026) en gaat in ruim 100 gemeenten meedoen met de verkiezingen van maart.
Deze partijen hebben een vaste kern van aanhangers onder de middenklasse en arbeidersklasse (Forum ook specifiek onder jongeren), die gedesillusioneerd is met het ‘establishment’ (de traditionele bourgeois partijen en centrum-links). Een deel van hen kan gewonnen worden voor een strijdbaar alternatief op klassenbasis, maar nooit voor tandeloos centrum-links reformisme.
De winst voor het ‘midden’ kwam vooral door de roemloze instorting van het NSC enerzijds en de verlies en algemene crisis op links anderzijds. Zolang er geen alternatief voor de werkende klasse is, zullen de rechtse demagogen opnieuw kunnen profiteren van onvrede met een breed of centrum-rechts kabinet. De bourgeoisie en burgerlijke media zullen daarom doorgaan met het continu voordragen van ‘redelijke’ messiassen (Omtzigt, Van der Plas, Baudet, etc.) om de hoop op verbetering levend te houden. Dit zal ongetwijfeld leiden tot verdere teleurstellingen.
De anti-migratiebeweging – is het fascisme in opkomst?
Het hoofdthema dat de rechtse reactionairen gebruiken is migratie, dat ze demagogisch koppelen aan reële sociale zorgen (woningtekort, problemen in de zorg en het onderwijs, geweld tegen vrouwen). Zonder een correct antwoord van de linkerzijde en de arbeidersbeweging, wat nu totaal ontbreekt, zal dit thema gebruikt worden om de werkende klasse te verdelen en de ontwikkeling van het bewustzijn te remmen.
De chaos en onzekerheid rond de spreidingswet heeft geleid tot een golf van protesten tegen de komst van azc’s door het land heen. In tegenstelling tot 2015, de laatste keer dat we zoiets zagen, is er nu geen sprake van een gelijktijdige sterke solidariteitsbeweging met vluchtelingen. Daarnaast zagen we op 20 september en 12 oktober in respectievelijk Den Haag en Amsterdam landelijke demonstraties tegen immigratie. Duidt dit alles op een golf van reactie of zelfs fascisme, zoals we binnen de linkerzijde vaak horen?
Het is zeker waar dat ultra-rechtse groepen zich sterker voelen. “Fascistische en andere ultra-reactionaire groepen kunnen zich door het nieuwe kabinet [Schoof] zelfverzekerder voelen en denken dat “hun tijd” gekomen is”, schreven we in Nederlandse Perspectieven 2024. Niettemin moeten we niet overdrijven. De grootste demonstratie, in Den Haag, zag een paar duizend mensen. Een deel daarvan bestond uit verwarde PVV-aanhangers e.d., een ander deel uit fascisten en rechtse voetbalhooligans. Dit is relatief groot voor een uiterst rechtse demo, maar ter vergelijking: de Rode Lijn-demonstratie van 5 oktober, niet lang daarna, zag ruim 250.000 deelnemers. Dit toont aan hoe het werkelijke machtsevenwicht in de samenleving eruit ziet.
Het is zeker nodig voor de arbeidersbeweging om onszelf en minderheden te beschermen tegen confrontatie zoekende fascisten en hooligans, die bij deze demo’s voorbijgangers intimideerden, maar we moeten niet doen alsof er sprake is van een georganiseerde fascistische massabeweging als de NSB in de jaren 1930, die aanvallen uitvoerde op de arbeidersbeweging.
De heersende klasse heeft in dit stadium geen behoefte aan fascistische groepen. In dit stadium is ze enerzijds geneigd om anti-migratiesentiment op te wekken via haar partijen en media, om anderzijds de onlusten bij de anti-migratiedemonstraties te gebruiken om het burgerlijke staatsapparaat te versterken met meer bevoegdheden, extra wapens voor de politie, etc.
Essentieel voor de arbeidersbeweging is niet om paniek te zaaien over fascisme, maar om te vechten voor een politiek alternatief voor de werkende klasse, dat arbeiders kan weghalen bij de anti-migratie-stemmingmakers. De relatieve zwakte van de anti-racistische beweging sinds de verkiezingen van 2023 komt vooral voort uit het gebrek aan een programma voor de werkende klasse. In plaats daarvan wordt er tegen Wilders, extreem-rechts en racisme gedemonstreerd op abstracte moralistische basis, met slogans als ‘vluchtelingen welkom’, ‘stop racisme’ – een programma van klassencollaboratie met de liberale bourgeoisie, vaak met allerlei invloeden van postmoderne identiteitspolitiek.
Enkel met een programma dat migranten en autochtone arbeiders kan verenigen in de strijd tegen huisjesmelkers, bankiers, kapitalisten – onze heersende klasse die bezuinigt op zorg en onderwijs terwijl ze geld overheeft voor militarisering en imperialistische politiek, kan de arbeidersbeweging terugslaan.
Het falen van reformistisch links
Het is precies dit gebrek aan een alternatief voor de werkende klasse dat ervoor heeft gezorgd dat zogenaamd ‘links’ zijn slechtste verkiezingsuitslag heeft behaald in honderd jaar. Het kwantitatief samenvoegen van GroenLinks en PvdA was niet het wondermiddel wat tot een herstel van de linkerzijde heeft geleid. Daarnaast heeft ook de SP gefaald in het formuleren van een alternatief voor zowel de rechtse demagogen als het ‘midden’.
Het optimisme rondom de GroenLinks-PvdA-fusie heeft een flinke dreun gekregen bij de laatste verkiezingen. De rol van ‘progressief alternatief’ werd overgenomen door het burgerlijk-liberale D66, dat won met stellig ‘anti-populisme’ en positieve eisen zoals ‘10 nieuwe steden erbij’. Frans Timmermans is nu afgetreden en voor nu vervangen door Jesse Klaver, wat niet veel zal veranderen.
In tegenstelling tot de rechtse propaganda over dat GL-PvdA naar links opschuift als gevolg van een GroenLinks-overname, is de realiteit dat GroenLinks juist flink verrechtst was. De coalitie van ex-radicalen in de jaren ‘90 is in de laatste 20 jaar omgevormd tot een groen-liberale partij voor de stedelijke middenklasse. De zogenaamde ‘oppositie tegen de fusie’ binnen de PvdA, die nota bene door de Telegraaf gesteund wordt, beroept zich op demagogische retoriek over dat de arbeidersklasse door de fusie bij de PvdA wegloopt, omdat ze cultureel conservatief zou zijn en niets heeft met hoogopgeleide stedelijke progressieven. In werkelijkheid liep de arbeidersklasse al sinds de jaren ‘90 weg, onder zulke ‘oppositionisten’ als Oudkerk, Melkert en Verbeet.
De enige ‘verlinksing’ die heeft plaatsgevonden is het standpunt van een wapenembargo voor Israël. We moeten echter begrijpen dat dit het gevolg is van een grote beweging in de samenleving: de aanhoudende pro-Palestijnse beweging en de twee massademonstraties van de Rode Lijn.
Hoewel GL-PvdA onder Klaver niet voor een grote renaissance van reformistisch links zal zorgen, zal de partij niet direct verdwijnen. Nu Rob Jetten een rechtse coalitie heeft gevormd, kan de fusiepartij als ‘mindere kwaad’ een kleine opleving krijgen. Dat is alleen mogelijk als Jesse Klaver daadwerkelijk in oppositie gaat tegen de kabinetsplannen. Stelt Klaver zich op als ‘constructief’ links aanhangsel van de coalitie, dan verspelen zij ook hun laatste restje steun bij de achterban die op zoek is naar een echt links alternatief.
De SP behaalde haar slechtste verkiezingsresultaat bij de Tweede Kamerverkiezingen sinds 1994. Het ledental van de partij is in 2025 gedaald tot het laagste niveau sinds 2002. Waar ze bij eerdere rechtse regeringen (Balkenende I, Rutte I) kon profiteren als strijdbaar-linkse oppositiepartij, was daar nu geen sprake van.
Het milde reformisme, de nadruk op vooral de armste en meest hulpbehoevende lagen van de arbeidersklasse, en de agitatie tegen arbeidsmigranten, zorgen voor een verward geheel dat er niet in slaagt de arbeiders weg te halen bij de PVV. Jimmy Dijks nadruk op een gewenste coalitie met GL-PvdA en het CDA(!) – de traditionele partij van de bourgeoisie, die voor militarisering pleit – verdunde het geheel nog meer. Daarnaast heeft de partij geen aantrekkingskracht op de meeste radicale jongeren. De partijbasis is gemiddeld oud, en zonder vernieuwing zal de partij verder wegkwijnen.
In de basis is de crisis van het reformisme een uitdrukking van de crisis van het kapitalisme, die een grote opbloei van reformistische partijen, zoals in de decennia na de Tweede Wereldoorlog, onmogelijk maakt. Zonder sterke groei is er namelijk geen ruimte voor hervormingen; enkel voor contrahervormingen in het belang van de heersende klasse.
Dat is echter niet het hele verhaal. We hebben sinds 2008 ook verschillende links-reformistische fenomenen in Europa en Noord-Amerika gezien, die tijdelijk uitdrukking gaven aan het streven van de arbeiders en jongeren (Syriza, Podemos, Bernie Sanders, Jeremy Corbyn, etc.), voordat ze hun achterban verraadden en in neergang gingen. Wegens de omstandigheden van kapitalistische crisis hebben de reformistische leiders weinig manoeuvreerruimte binnen het kapitalistische systeem, en zijn dit soort uitkomsten onvermijdelijk. Zolang er geen revolutionair communistisch massa-alternatief is, zal er echter ruimte blijven voor zulke reformistische formaties. Zohran Mamdani, de nieuwe burgemeester van New York, is de nieuwste uiting hiervan.
We moeten dit ook in gedachten houden voor Nederland. De crisis van het reformisme is zeer groot, maar de opleving van klassenstrijd in de komende jaren kan betekenen dat er een nieuw links-reformistisch fenomeen kan ontstaan, binnen maar waarschijnlijk buiten de huidige linkse partijen in het parlement.
Cultuurstrijd of klassenstrijd?
Een belangrijk element in de crisis van het reformisme, is de zogenaamde cultuurstrijd (culture war). Waar het woord ‘links’ rond 2010 nog geassocieerd werd met de vakbeweging en de sociaal-democratie, wordt het vijftien jaar later door veel Nederlanders geassocieerd met ‘progressieve’ waarden en zaken als klimaatpolitiek, vluchtelingenopvang, en hoger opgeleide stedelingen in het algemeen.
Dit is niet slechts het gevolg van reactionaire propaganda, maar ook van de politiek van de ‘linkse’ partijen zelf. Door decennia mee te doen met de kapitalistische afbraakpolitiek of op z’n best halfzachte oppositie te voeren, door zich te richten op ‘progressieve’ symboolpolitiek, door te pleiten voor ‘groene’ kapitalistische politiek (belastingen voor de werkende klasse, subsidies voor het grootkapitaal); door deze politiek van klassencollaboratie met de liberale bourgeoisie hebben de reformisten een vacuüm opengelaten dat is opgevuld door rechtse demagogen. Deze konden onvrede met het burgerlijke establishment en de bezuinigingen op zorg en onderwijs, de woningnood, de gestegen kosten van levensonderhoud, e.d., koppelen aan een cultuurstrijd tegen de ‘hoogopgeleide progressieven in de Randstad’, en daarbij klimaatverandering ontkennen en met reactionaire aanvallen op migranten en lhbt’ers komen.
Als reactie hierop zien we dat GL-PvdA zich sterker heeft ingegraven in de ‘progressieve’ loopgraaf, uit een pessimisme dat delen van de arbeidersklasse verloren zijn aan rechts. Andere reformisten, zoals de leiding van de SP, willen zich juist distantiëren en doen opportunistische concessies aan het andere kamp in de cultuurstrijd – zonder veel succes.
We moeten duidelijk zijn. De arbeidersbeweging en de communisten kunnen geen kant kiezen in deze cultuurstrijd, die op zichzelf verdelend en reactionair is. Uiteraard bestrijden we iedere aanval op de rechten van migranten, lhbt'ers, vrouwen, etc. Maar we kunnen geen blok vormen met de liberale bourgeoisie tegen de reactionaire demagogen. De arbeidersklasse bestaat uit mensen in zowel de grote steden als in provincieplaatsen, uit mensen van alle huidskleuren, afkomsten, genders en geaardheden. Maar deze klasse heeft een gezamenlijk belang, dat noch gediend wordt door D66 noch door de PVV.
Enkel door de klassenstrijd, die in de komende periode zal toenemen als gevolg van de tegenstellingen die de Nederlandse heersende klasse niet kan oplossen, kan de cultuurstrijd doorbroken worden. Zolang dat niet gebeurt, zal ze de reformisten verzwakken en de burgerlijke partijen (liberaal en reactionair) versterken.
De vakbonden
De meest elementaire organisaties van de werkende klasse zijn de vakbonden. Terwijl we enerzijds de afgelopen jaren een relatieve toename van arbeidersstrijd gezien hebben (vooral in 2023, als gevolg van de strijd om de inflatie te compenseren), zien we dat de grootste vakbondsfederatie van Nederland, de FNV, in een grote crisis zit.
De gevechten tussen verschillende delen van de bureaucratie hebben ertoe geleid dat verkiezingen voor een nieuw bestuur twee maal zijn uitgesteld en dat uiteindelijk de rechterlijke macht is ingeschakeld om een nieuwe Raad van Toezicht (RvT) in te stellen, onder leiding van Lodewijk Asscher en Ton Heerts, twee PvdA/FNV-bestuurders in de zak van de heersende klasse. Hun plannen om de crisis op te lossen door een minder democratisch besturingsmodel in te voeren strandde in het Ledenparlement, maar werden uiteindelijk in gewijzigde vorm door de rechter doorgedrukt.
We steunden de oppositie van het Ledenparlement en kaderleden tegen deze ondemocratische inperkingen van Asscher-Heerts. Tegelijk moeten we echter ook stellen dat het model met het Ledenparlement niet ideaal was en de FNV-basis niet goed gemobiliseerd kon worden, enkel op basis van oppositie tegen deze wijziging. De terugkeer van een congres en bondsraad zijn op zichzelf prima; het probleem is de ondemocratische RvT, die gebruikt zal worden om strijdbare bestuurskandidaten te blokkeren en in te zetten op klassencollaboratie. De strijd voor democratisering, tegen de RvT, staat niet op zichzelf, maar moet gekoppeld worden aan een strijdbare vakbondspolitiek.
Uiteindelijk zal de kwestie van een democratische en strijdbare vakbond worden opgelost door de toestroom en activering van nieuwe jonge leden. We zien nu dat de vakbonden in 2025 samen 422.000 leden onder de 45 jaar hebben, een stijging van 47.000 in vergelijking met vorig jaar. Terwijl het totale ledental nog daalt, doordat er meer ouderen en gepensioneerden de bonden verlaten, zwakt deze daling af. Het is het begin van een ommekeer.
Deze jongere leden worden niet lid omdat zij vertrouwen hebben in zwakke concessies die de vakbondsbureaucraten uit onderhandelingen kunnen halen, maar juist omdat zij resultaten en actie willen zien. In de komende jaren kunnen we verwachten dat deze laag betrokken zal zijn bij nieuwe strijdbare acties.
Hoewel 2025 minder stakingen zag dan voorgaande jaren, zijn we getuige geweest van enkele zeer strijdbare stakingen. De apotheekmedewerkers wisten, na driekwart jaar van strijd, begin 2025 een historische loonsverhoging van 20% af te dwingen. De stakingen bij de NS in juni leidden tot een hatelijke campagne in de media, waarbij de stakers als hebzuchtig en verantwoordelijk voor de problemen bij het bedrijf werden afgeschilderd. Uiteindelijk wisten ze echter een beter eindbod bij de NS af te dwingen. Een staking van sjorders in de haven van Rotterdam in oktober leidde tot paniek bij de heersende klasse, die de rechter inschakelde om de duur te beperken. Niettemin wisten de sjorders een beter cao-akkoord af te dwingen.
Radicalisering jeugd
In dit stadium vindt de meeste radicalisering echter niet plaats bij vakbondsleden, maar onder jongeren. Dit is geen rechtlijnig proces, maar een proces waarbij jongeren zich afkeren tegen de traditionele burgerlijke partijen en instituties. De crisis van het liberale establishment is hier duidelijk zichtbaar.
Een deel van hen, vooral jonge mannen, zoekt hun heil aan de rechterzijde, bij Forum voor Democratie en andere nationalistisch-rechtse groepen. Een verlangen naar de relatieve stabiliteit van de naoorlogse economische bloei, gemengd met reactionair chauvinisme en seksisme, is een verwarde uitdrukking van anti-establishmentsentiment. Dit heeft geleid tot oppervlakkige commentaren dat Nederlandse jongeren sterk conservatief-rechts zouden zijn.
Dit is echter eenzijdig. Onder jonge vrouwen vindt ook radicalisering naar links plaats, uit afkeer van bovenstaande seksistische ideeën onder jonge mannen. Er is ook een groei van populariteit van de ideeën van het communisme in Nederland, zoals zelfs de NOS in september 2025 moest constateren. Harde cijfers zijn er niet, maar er is een groeiende minderheid die naar een revolutionaire uitweg zoekt en geen genoegen neemt met reformistisch links of kleinburgerlijke identiteitspolitiek. Dit is een internationale trend die we zien, die vooral in de Angelsaksische landen sterk is.
Specifieke bewegingen kunnen een radicaliserend effect hebben. Een aantal jaar geleden was het de klimaatkwestie die veel jongeren deed radicaliseren, evenals de anti-racistische beweging na de moord op George Floyd. In de laatste twee jaar heeft de genocide in Gaza veel jongeren geradicaliseerd. Het is belangrijk om ons niet blind te staren op bepaalde thema’s, maar in te zien hoe dit onderdeel is van een groter proces van bewustwording.
Sommige thema’s kunnen ook ingekapseld worden door de heersende klasse door middel van ngo’s, politieke partijen, ‘progressieve’ bedrijven: de klimaatbeweging is sterk ingekapseld en de anti-racistische beweging deels. Inkapseling kan ook tot tegenreacties leiden, waardoor verwarde elementen juist deze thema’s als onderdeel van het establishment gaan zien en demagogen hierop kunnen inspelen.
Als communisten passen we ons daarom niet opportunistisch aan verschillende thema’s en beweging aan, maar behouden we altijd een communistisch standpunt van klassenonafhankelijkheid. We interveniëren in de pro-Palestijnse beweging, maar leggen uit wat de weg vooruit is, hoe deze gekoppeld is aan de strijd tegen onze eigen heersende klasse.
De kwestie van geweld tegen vrouwen is het nieuwste radicaliserend thema. De heroprichting van de actiegroep Dolle Mina’s wijst enerzijds op een nieuwe generatie strijdbare vrouwen die zich keren tegen seksistisch geweld en femicide, en daarbij tijdens hun demonstraties letterlijk fysiek werden belaagd door seksistische mannen. Anderzijds wordt de kwestie gebruikt door rechtse reactionairen voor een demagogische cultuuroorlog-campagne tegen mannelijke asielzoekers.
Ook hier staan we zij aan zij met de Dolle Mina’s en andere geradicaliseerde jonge vrouwen en mannen, maar tegelijkertijd leggen we de beperkingen uit van een klassenoverstijgende feministische benadering, van illusies dat meer politie op straat geweld kan tegengaan, en van een pacifistisch-moralistische afkeer van fysieke zelfverdediging.
Onze taken
De perspectieven wijzen er duidelijk op dat het Nederlands kapitalisme een nieuwe fase ingaat van relatieve en absolute achteruitgang. Hoewel het ‘midden’ kon winnen, is er geen vooruitzicht van stabiliteit en blijven de rechtse ‘populisten’ een destabiliserende factor voor het burgerlijke establishment.
De bezuinigingen en verdere militarisering zullen de druk op de werkende klasse verhogen en haar tot verdere actie dwingen. Op termijn zal ook de kwestie van een politiek alternatief van de werkende klasse naar voren komen, vooral met de grote crisis van het reformisme. In de discussies zullen wij als Revolutionaire Communisten pleiten voor een communistische partij van de werkende klasse.
In dit stadium zijn we echter te klein om grotere lagen te bereiken. Wij moeten ons, met bovenstaande perspectieven in het achterhoofd, richten op de meest geavanceerde lagen. Zoals gezegd zijn dat in dit stadium overwegend jongeren.
We moeten de revolutionaire jongeren bereiken met ons communistisch programma, dat niet alleen bestaat uit programmapunten, maar ook uit perspectieven en marxistische theorie. Wij zijn onderdeel van een internationale organisatie (de RCI), die voortkomt uit een traditie die teruggaat tot de tijd van Marx en Engels.
Het is onze theorie en ons perspectief dat ons duidelijk onderscheidt van andere groepen die zich communistisch of socialistisch noemen. We gaan vriendelijk het gesprek aan met leden van groepen als ROOD-RSP of de NCPN-CJB, maar we zullen altijd onjuiste analyses en ideeën bekritiseren en uitleggen wat de historische gevolgen ervan zijn – we werken samen met anderen, maar doen geen concessies aan onze ideeën.
Sinds het vorige congres hebben we ons ledental verdubbeld, maar dit is slechts het allereerste begin. We moeten onze bestaande afdelingen versterken en uitbreiden naar de rest van Nederland, om een landelijke organisatie te vormen die kan tussenkomen in de arbeidersbeweging en andere progressieve sociale bewegingen. Zo bouwen we het embryo van een Revolutionaire Communistische Partij.
Dit is een taak van groot belang. De economische stagnatie en de polycrisis in Nederland zullen de basis vormen voor toenemende klassenstrijd en een verschuiving in het bewustzijn. Dit kan sneller verlopen dan men denkt. Het is geen kwestie van ons afvragen “wanneer gebeurt er nou eens iets?”, maar van het nu zo snel mogelijk opbouwen van onze organisatie.
Het bouwen van dit revolutionaire leiderschap is de enige manier om ons voor te bereiden op de toekomstige socialistische revolutie in Nederland, die voor eens en altijd een einde zal maken aan alle uitbuiting en onderdrukking van het Nederlands kapitalisme.
Aangenomen door het Congres van de Revolutionaire Communisten, 22 februari 2026 te Amsterdam.



