Na de enorme hittegolf van twee weken geleden staat voor veel mensen klimaatverandering weer bovenaan het lijstje van zorgelijke onderwerpen. Hoe kijken we als communisten naar de kwestie en welke oplossingen bepleiten we?
Wat is klimaatverandering in de eerste plaats? Het is niet alleen maar dat het elk jaar steeds warmer wordt, maar het is ook geen abstract “natuurlijk milieuprobleem”. Wat we begrijpen onder klimaatverandering is in de eerste plaats een crisis in de relatie tussen mens en natuur, een breuk in de stofwisseling tussen onze soort en het ecosysteem waarin we leven. Maar die breuk is allesbehalve natuurlijk: het is een direct gevolg van de fundamentele wetten van productie onder het kapitalisme.
Tegelijk laat datzelfde systeem zien dat er materieel geen tekort hoeft te zijn: we produceren wereldwijd genoeg voedsel voor iedereen, maar toch lijden honderden miljoenen mensen honger omdat winst en koopkracht bepalen wie eet en wie niet. In plaats van die kapitalistische logica ter discussie te stellen, wordt de verantwoordelijkheid voor de klimaatcrisis en “duurzaamheid” handig geïndividualiseerd: we moeten “bewust consumeren”, minder douchen of een andere tas kopen, terwijl de grote vervuilers en hun eigendomspositie grotendeels buiten schot blijven. Dit is een realiteit die regeringen over de hele wereld niet onder ogen willen zien, en exact de reden dat er geen effectieve stappen worden gemaakt om het klimaat te redden. Want als we de impact van menselijke activiteit op het klimaat willen remmen en terugdraaien moeten we aan zoveel mogelijk mensen duidelijk maken dat het onmogelijk is om klimaatverandering op te lossen onder het kapitalisme: het kapitalisme moet sterven opdat mens en natuur op aarde kunnen blijven bestaan.
Marxisme en het klimaat
Een argument dat vandaag de dag vaak wordt gebruikt om het marxisme te delegitimeren is dat Marx en Engels nooit hadden nagedacht over het klimaat en de natuur, dat ze alleen maar bezig waren met het realiseren van een zo efficiënt mogelijke economie of hogere levensstandaarden van de mens. Door op zulke wijze het marxisme te bekritiseren hopen veel politici en kapitalisten een alternatief van kapitalisme onmogelijk te maken. Maar die kritiek is uiteraard fundamenteel onjuist. Marx en Engels dachten nooit dat de mens tegenover de natuur staat als een soort buitenstaander. Ze stelden dat de mens zelf natuur is: een product van de evolutie dat zijn omgeving actief transformeert. Engels schreef in zijn Dialectiek van de natuur dat de mens het landschap, het klimaat, de planten- en dierenwereld al zó heeft veranderd dat de gevolgen van zijn activiteit alleen met de dood van de aardbol kan verdwijnen. In andere woorden: dat er geen weg terug is naar een “oorspronkelijke, ongerepte natuur”.
De vraag is niet óf wij als mens ingrijpen in de natuur en het klimaat, maar hoe, door wie en in wiens belang? Marx beschrijft in Kapitaal de “stofwisseling” tussen mens en aarde: we onttrekken stoffen aan de natuur, vormen die om in het productieproces en geven ze terug. Door de ontwikkeling van de productiekrachten is die stofwisseling verstoord: door massale verstedelijking, industriële landbouw, scheiding van stad en platteland en productie voor een wereldmarkt. Het moderne klimaatregime - waarin temperaturen stijgen, extremer weer steeds gebruikelijker wordt, zeespiegelstijgingen doorzetten en koraalriffen verdwijnen - is een zeer geconcentreerde uitdrukking van die verstoorde stofwisseling.
Marx is verder heel concreet over wat kapitalistische landbouw doet met de natuur in Het Kapitaal: hij zegt dat elke vooruitgang in de kapitalistische landbouw, tegelijk een vooruitgang is in de kunst om de grond te beroven. De vruchtbaarheid van de grond wordt tijdelijk verhoogd, maar de blijvende bronnen van die vruchtbaarheid worden ondergraven. En hij voegt eraan toe dat productie onder het kapitalisme, terwijl ze de techniek en samenwerking ontwikkelt, tegelijk de twee ultieme bronnen van alle rijkdom ondergraaft: arbeid en de aarde. Als we vandaag zien hoe pesticiden insectenpopulaties doen instorten en mensen ziektes geven, hoe veeteelt ontbossing aanjaagt en hoe fossiele brandstoffen het klimaat destabiliseren, dan is dat zeker geen toeval, maar een bevestiging van die analyse.
Kapitalistische productie en het klimaat
Vanuit het hiervoor gestelde perspectief is “klimaatcrisis” dus niet “de natuur in crisis” in het algemeen, maar juist een specifieke crisis van de relatie tussen menselijke productie en natuurlijke voorwaarden, in de context van een enkel historisch systeem: het kapitalisme. We hebben een ongekende ontwikkeling van de productiekrachten én een organisatievorm die diezelfde krachten in dienst stelt van een kleine heersende klasse voor het realiseren van winsten op korte termijn. Dat dubbele karakter van het kapitalisme is cruciaal om te begrijpen waarom de oplossingen die technisch al bestaan, systematisch onuitgevoerd blijven.
De kern ligt in de manier waarop de kapitalistische productie functioneert: niet voor de algemene menselijke noden, maar voor ruilwaarde. Wat telt is niet een product dat nuttig, duurzaam of sociaal rationeel is, maar een product dat kan worden verkocht met winst. Elektriciteit, voedsel, transport, huisvesting – allemaal worden ze geproduceerd als waren.
Grote energiemonopolies beslissen hoeveel gas er uit de grond komt, welke centrales aan staan, welke investeringen in het netwerk wel of niet worden gedaan. Agrarische bedrijven bepalen uit winstoogmerk welke gewassen waar worden verbouwd, met welke input, en tegen welke ecologische prijs. Bouw- en vastgoedbedrijven ontwikkelen steden op basis van grondspeculatie en rendementseisen, niet op basis van klimaatadaptatie of leefbare wijken.
Die focus op ruilwaarde toont zich scherp als we kijken naar de energie- en warmtevraag bij hittegolven. Airconditioning, bijvoorbeeld, is daar een treffend voorbeeld van. In rijke landen en bij mensen met wat geld groeit het gebruik van airco explosief, zeker met deze toenemende hittegolven. Wie in een goed geïsoleerde koopwoning woont of binnen werkt in een kantoor met goede airconditioning of andere klimaatregelingen, kan de aanhoudende hitte grotendeels buiten sluiten. Maar in arbeiderswijken en sociale huurwoningen daarentegen liggen mensen ’s nachts wakker in slecht geïsoleerde, hitte vasthoudende flats. Mensen die vaker in dit soort woningen zitten, werken vaker als bouwvakker, pakketbezorger, schoonmakers, verpleegkundigen, of in distributiecentra – waarbij zij de hele dag werken bij hoge temperaturen, en vaak zonder adequate bescherming - dan op een werkplek met goede klimaatregelingen, zoals kantoorgebouwen of ministeries. Hittestress is geen neutraal natuurfenomeen, maar juist een klassenkwestie: wie verkoopt zijn arbeid in een oververhitte omgeving, en wie zit achter glas met airco?
Airconditioning zelf is bovendien een symptoom, geen oplossing. Elke extra airco verhoogt de elektriciteitsvraag juist op de heetste uren van de dag, wanneer het stroomnet al zwaar belast is. Tijdens de enorme hittegolf van afgelopen juni kwam het kabinet met een waarschuwing om de airco niet te veel te gebruiken uit zorgen over stroomverbruik. En als die stroom grotendeels wordt opgewekt met fossiele brandstoffen, verergert het probleem dat mensen juist proberen te ontlopen: meer CO₂‑uitstoot, meer opwarming, meer hittegolven.
Tegelijk worden de kosten en de risico’s ongelijk verdeeld. In welvarende buurten draaien airco’s door, terwijl elders in steden kwetsbare mensen sterven door hittestress. Wereldwijd is het beeld nog schriller: waar in Noord‑Europa een hittegolf deels kan worden opgevangen met airco, thuiswerken en vrije dagen, moeten miljoenen arbeiders in India, Pakistan of West‑Afrika doorwerken bij temperaturen die feitelijk levensgevaarlijk zijn.
Dat brengt ons bij een ander aspect van de kapitalistische irrationele organisatie van energie: netcongestie. In Nederland en andere Europese landen zien we dat nieuwe zonneparken, windprojecten of zelfs nieuwe, broodnodige woonwijken niet meer aangesloten kunnen worden omdat het elektriciteitsnet “vol” zit. Netbeheerders zoals Liander en TenneT waarschuwen voor overbelasting en sluiten soms zelfs bestaande windmolens of zonnepanelen af op piekmomenten. Dit terwijl tegelijkertijd de vraag naar elektriciteit juist toeneemt. De techniek om netten uit te breiden, om opslag te realiseren en vraag en aanbod slim te sturen, bestaat allang. Maar onder het kapitalisme zijn stroomnetwerken aangewezen om winst te genereren voor bedrijven, die tientallen miljarden aan dividend kunnen uitkeren (want ja, iedereen gebruikt het stroomnet), terwijl investeringen achterbleven. De logica is steeds dezelfde: investeer alleen in sectoren als het gegarandeerd op korte termijn rendement oplevert. Een eenmalige, massale investeringsgolf om het stroomnet klaar te maken voor 100% hernieuwbare energie én toenemende vraag is maatschappelijk volkomen te realiseren, maar past niet in de logica van particuliere winstmaximalisatie en de korte planningshorizon van aandeelhouders. In Nederland zijn de aandeelhouders van de netbeheerders overigens gemeenten en provincies, maar dat verandert niets in de kern. Wegens besparingen op de rijksbijdragen hebben deze lagere overheden jarenlang de dividenden van netbeheerders gebruikt om hun begrotingen rond te krijgen; kapitalistisch bezuinigingsbeleid is de kern van het probleem.
Het is belangrijk om hier ook de irrationele barrières van de natiestaat te benoemen. Want niet alleen Nederland heeft last van klimaatverandering, en niet alleen Nederland kan de oplossing bieden. Klimaatverandering is een wereldwijd probleem, CO₂ erkent immers geen grenzen, maar de wereld blijft verdeeld in concurrerende kapitalistische staten. Elke regering moet in eerste instantie “haar” kapitalisten dienen. Internationale klimaattoppen, COP‑conferenties, het Parijs-akkoord – op papier klinkt het alsof internationale diplomatie heeft gewonnen en we enorme stappen maken, maar die afspraken zijn niet bindend; ze zijn gevuld achterdeurtjes voor de rijkste landen, en worden bij de eerste de beste economische tegenwind ondergraven. De Verenigde Staten trokken zich terug uit akkoorden, de EU versoepelde regels zodra een grote industriële lobby piepte, en in de praktijk worden fossiele subsidies vaak eerder uitgebreid dan afgeschaft. Daarnaast vond de laatste klimaatconferentie plaats in Belem, Brazilie, waar hectares aan Amazonewoud werden gekapt om plek vrij te maken voor nieuwe infrastructuren (snelweg en hotels) die de werkzaamheden van de klimaatconferentie hosten. Dit zegt veel over de hypocrisie van de burgerlijke instituties en hun oplossingen.
In die context schuiven regeringen van elke politieke kleur de rekening van de “groene transitie” door naar de werkende klasse. CO₂-belastingen op brandstof bij het tankstation, hogere energieprijzen, afbouw van subsidies zonder alternatief – dat zijn maatregelen die terecht als onrechtvaardig gezien worden. In bijna alle landen zien we dat de benzine duurder wordt gemaakt in naam van het klimaat, terwijl grote bedrijven en de rijken belastingcadeaus krijgen en de infrastructuur voor echt duurzaam vervoer met bezuinigingen en stijgende kosten kampt. De woede en onvrede over de aanpak van klimaatverandering door burgerlijke regeringen is ook een vorm van klassenstrijd. Hun aanpak laat zien dat een “groene” politiek die de kosten bij de massa’s legt, de deur openzet voor rechtse anti-milieu‑reacties: populistische partijen die zich voordoen als beschermers van “de gewone man”, maar in werkelijkheid de belangen van het fossiele kapitaal verdedigen en de realiteit van de klimaatcrisis ontkennen of bagatelliseren.
Het falen van klimaatbewegingen
Tegelijkertijd zijn er binnen de milieubeweging stromingen die het probleem verkeerd formuleren. De zogenaamde neomalthusianen herhalen vaak de gedachte dat er “te veel mensen” zouden zijn, dat “we boven onze middelen leven” en dat “we allemaal te veel consumeren”. Daarmee verschuiven ze de schuld van kapitalisme en een klein aantal grote vervuilers naar de werkende klasse. Maar waar komt dat idee vandaan? Thomas Robert Malthus was een Britse econoom en predikant uit het begin van de 19e eeuw, en in zijn beroemde werk An Essay on the Principle of Population (1798) formuleerde hij de stelling dat bevolkingen geneigd zijn geometrisch te groeien – om eigenlijk telkens te verdubbelen – terwijl de voedselproductie slechts lineair kan toenemen. Dus dat een bevolking van 1, naar 2, 4, 8, 16, etc. door zou gaan terwijl de voedselproductie zich maar met 1, 2, 3, 4, etc. zou ontwikkelen.
Met die theorie trok hij de conclusie dat een voortdurende “overbevolking” onvermijdelijk is, en dat armoede, honger en ziekte in laatste instantie terug te voeren zijn op het feit dat er “te veel mensen” zijn ten opzichte van de beschikbare middelen. Hij zag harde “controles” op bevolkingsgroei (oorlog, epidemieën, hongersnood) als natuurlijke correcties, en verzette zich nadrukkelijk tegen armenzorg en herverdeling, omdat die volgens hem alleen maar meer bevolkingsgroei en zou uitlokken. Zijn theorie legitimeerde zo de bestaande klassenverhoudingen: niet de organisatie van de economie, niet het grondbezit, niet de uitbuiting door landheren en kapitalisten waren de kern van het probleem, maar de armen zelf, die “te veel kinderen” zouden krijgen.
Volgelingen van Malthus herhalen deze logica in moderne vorm. In plaats van te wijzen op klassen en eigendomsverhoudingen, is de demografie de boosdoener en wordt “de mensheid in het algemeen” naar voren geschoven als hoofdschuldige. Ze nemen bestaande materiële beperkingen – beperkte vruchtbare grond, water, brandstof – en maken daar een moreel verhaal van over “te veel mensen” en “te grote voetafdrukken”, vaak met impliciete racistische ondertoon (er zijn opvallend vaak zorgen over “te veel mensen in het Zuiden” of van bepaalde afkomst in westerse landen, en niet over te veel miljardairs in het Noorden). In plaats van kapitalistische productie- en consumptiepatronen ter discussie te stellen, richtten ze zich op geboortecijfers, consumptiegewoonten en “ethisch leven” van individuen.
Marx en Engels hadden Malthus al in hun tijd scherp bekritiseerd. Engels maakt in brieven en in andere geschriften duidelijk dat het probleem niet is dat de “absolute” grenzen van de productie zijn bereikt, maar dat binnen het kapitalisme productie begrensd wordt door wat koopkrachtig kan worden verkocht. Als graan geproduceerd wordt maar geen winst geeft, wordt het gedumpt, worden velden omgeploegd, gaan boeren failliet, en gaan mensen alsnog honger lijden – niet omdat er te weinig voedsel is, maar omdat het niet in het juiste circuit van geld en winst past. Honger, armoede en nu ook klimaatschade zijn geen gevolg van een abstract overschot aan mensen, maar van een systeem dat productie afmeet aan winst, niet aan behoefte. Engels schrijft in een brief in 1865 een passage dat “geldloze buiken” – mensen zonder koopkracht – simpelweg niet meetellen in kapitalistische productiebeslissingen en worden overgeleverd aan de sterftecijfers. Die analyse slaat rechtstreeks terug op hedendaagse discussies: ze verduisteren dat er structureel genoeg capaciteit is om iedereen fatsoenlijk te voeden en te huisvesten, terwijl ze de verantwoordelijkheid bij “te veel mensen” leggen in plaats van bij de klasse die over productie beslist.
Een gelijkgestemde stroming is de zogenaamde "degrowth"-beweging: deze eist dat we de totale economie bewust moeten laten krimpen. Op het eerste gezicht lijkt dat een radicaal alternatief voor kapitalistische logica: geen zogenaamde “groene groei”, maar een stap terug. Maar “degrowth” - oftewel dat de economie niet meer groeit - onder een kapitalistische economie betekent in de praktijk simpelweg recessie: meer werkloosheid, meer loonsverlagingen, afbraak van sociale voorzieningen en faillissementen. In zo'n scenario zijn het de arbeiders, niet de miljardairs, die dat voelen. Kapitaal trekt zich terug wanneer de winstverwachting daalt, de productie valt stil, en de rekening komt terecht bij werkende mensen. Wie vandaag, “in deze economie”, pleit voor algemene krimp zonder de eigendomsverhoudingen en macht van kapitaal ter discussie te stellen, pleit zonder het zo te noemen of te beseffen voor bezuinigingen op de levensstandaard van werknemers. In hun idee gaan we dan, om de planeet te redden, “allemaal” minder consumeren, terwijl de materiële macht en rijkdom van de 1% grotendeels buiten schot zal blijven, wat effectieve verandering tegenhoudt.
Klimaatactivisten proberen ook op andere manieren successen te behalen, van rechtszaken tegen staten tot campagnes rond vervuilende bedrijven als Tata Steel. Hierbij is het goed om te benoemen dat juridische strijd reële druk kan zetten tot oplossingen, door bijvoorbeeld normen aan te scherpen, vergunningen aan te vechten of de schade voor omwonenden vast te stellen en concrete verbeteringen af te dwingen. Maar in onze huidige situatie, waarin regeringen en bedrijven klimaatbeleid uitstellen, is wettelijke aansprakelijkheid maar een pleistermaatregel die structurele problemen niet oplost.
Deze strategie botst herhaaldelijk tegen een harde grens op: binnen het kapitalisme zijn wetten en regels in de eerste plaats ontworpen om privé-eigendom en winst veilig te stellen. Milieunormen worden toegepast zolang ze de winstmarges niet fundamenteel aantasten, en zodra maatregelen “te veel kosten” (de winstmarge verkleinen), verschijnen uitzonderingen of wordt regelgeving herschreven.
Bij Tata Steel zien we dit mechanisme duidelijk. De schadelijke uitstoot is uitgebreid gedocumenteerd, plannen voor verduurzaming liggen op tafel, vergunningen zijn aangepast. Maar zolang de fabriek als private winstmachine georganiseerd blijft, is elke echte transitie – minder productie, radicale ombouw, sluiting van onderdelen – een bedreiging voor aandeelhouders. De kosten worden daarom afgeschoven op de werkende klasse, door de Nederlandse regering te laten betalen voor vergroening! Juridische successen blijven op dit vlak beperkt of oppervlakkig. Werkelijke bescherming van mens en klimaat vereist dat deze bedrijven zoals Tata Steel aan de logica van winstaccumulatie worden onttrokken en onder democratische controle van de werknemers worden genationaliseerd, zodat wet- en regelgeving rondom milieu en volksgezondheid niet langer botsen met het winstoogmerk, maar een minimale vereiste worden voor de productie zelf.
Wij verwerpen daarom zowel het sprookje van eindeloze groene groei binnen het kapitalisme als het idee dat de oplossing bestaat uit algemene soberheid voor de werkende klasse onder kapitalistische verhoudingen. De vraag is niet of we minder of meer moeten produceren, maar wie beslist wat er geproduceerd wordt, hoe, waar en voor wie. Zolang de economie gedomineerd wordt door de kapitalistische logica, zullen de productiemiddelen ten nadele van het klimaat blijven produceren. De ontwikkeling van techniek en wetenschap vergroot dan niet de vrijheid van de mensheid en de harmonie met de natuur, maar alleen de schaal en intensiteit van uitbuiting en vernietiging van hun beiden.
Dezelfde technieken die vandaag in kapitalistische handen de natuur verwoesten moeten onder een andere eigendoms- en machtsverhouding gebruikt worden om de stofwisseling met de natuur te herstellen en beter te organiseren. In een samenleving waarin de productiemiddelen gemeenschappelijk bezit zijn en democratisch gepland worden.
Met andere woorden: niet het bestaan van grenzen of het niveau van techniek is beslissend, maar de vraag wie aan de knoppen van de productie zit. Zolang dat de kapitalisten aan de knoppen zitten, zal “groene politiek” ofwel tandeloos zijn, ofwel een variant van bezuinigingspolitiek worden. Pas als de werkende klasse de productiemiddelen onteigend heeft en de productie democratisch organiseert, kunnen we werkelijk beslissen hoeveel en wat er geproduceerd wordt op een manier die zowel de menselijke behoeften als de ecologische grenzen respecteert.
Het klimaat onder het socialisme
Wat zou socialisme voor het klimaat betekenen? Er zijn bepaalde noodzakelijke stappen: uiteraard de barrières van privé‑eigendom en natiestaat opheffen, en de economie organiseren rond menselijke behoefte in plaats van winst. Dat betekent om te beginnen de grote energie‑ en grondstofmonopolies onteigenen, maar ook de banken die investeringsstromen controleren. In plaats van een kliek van concurrerende multinationals en semi‑publieke netbeheerders zouden we bijvoorbeeld één democratisch gepland energiesysteem krijgen, onder controle van de arbeiders en gebruikers.
Het is technisch en financieel gezien meer dan haalbaar om binnen een aantal jaar vrijwel alle elektriciteit en een groot deel van de warmtevoorziening over te zetten op hernieuwbare energie. We zien nu al dat bijvoorbeeld de Chinese industrie in staat is om op wereldschaal zonnepanelen te produceren in aantallen die een grootschalige transitie mogelijk maken, en nieuwe infrastructuurprojecten van de Rijksoverheid focussen zich steeds meer op klimaatbestendige oplossingen. Onder het kapitalisme leidtt dit tot overproductie, inefficiënte onderhandelingen met private partijen en torenhoge kosten, maar een democratisch plan zouden ervoor zorgen dat zonnepanelen gewoon worden geproduceerd en geïnstalleerd waar ze nodig zijn, zonder de interventie van private bedrijven met een winstoogmerk. De “netcongestie” die nu bestaat en projecten blokkeert, moet worden aangepakt met een massaal investeringsprogramma in netverzwaring, opslagmogelijkheden en slimme sturing, in plaats van windturbines stil te zetten en daken vol zonnepanelen af te sluiten omdat de kabels te dun zijn. We moeten de infrastructuur aanpassen aan de mogelijkheden van hedendaagse techniek en de noden van de bevolking. Daarmee zou ook het probleem van piekbelasting door airco’s anders benaderd worden: door gebouwen passief koel te ontwerpen en door te zorgen dat extra elektriciteitsvraag niet uit gascentrales komt, maar uit extra zon en wind. Klinkt simpel, maar netcongestie is een duidelijk, direct gevolg van de privatiseringen van netbeheerders als van het net zelf. Het winstmotief is de grootste oorzaak van problemen voor ons stroomnet.
Koeling bij extreme hitte moet niet meer een privilege zijn voor wie het kan betalen, maar een collectief recht. Dat kan door nieuwe, sociale huisvesting te renoveren en realiseren met goede isolatie, zonwering en ventilatie, iets wat nu te duur wordt geacht door private woningstichtingen en bouwbedrijven. Door verder openbare koele plekken in alle buurten te creëren (niet alleen de rijke), door arbeidstijden aan te passen of werken vanaf huis te stimuleren en door strikte hitteprotocollen af te dwingen kunnen we concreet de levens van werkende mensen beter maken terwijl we nog kampen met de effecten van klimaatverandering. In sterk georganiseerde sectoren zien we daar al kiemen van, zoals stakingen in Griekenland en Italië tegen werken bij extreme hitte, of acties van bouwvakkers in Australië.
Maar dit zijn nog maar pleistermaatregelen om de aanhoudende effecten van klimaatverandering te dempen; zoals Marx over filosofie zei: “De filosofen hebben de wereld slechts op verschillende manieren geïnterpreteerd. Het komt er echter op aan haar te veranderen” – en in onze klimaatstrijd gaat het er niet om het beleid iets groener aan te kleden of anders te interpreteren, maar om de materiële werkelijkheid van het klimaat en economische productie daadwerkelijk te veranderen. Landbouw en voedselproductie zijn hierbij een cruciale frontlijn. Want vandaag de dag gebruiken we bijna de helft van alle bewoonbare grond op aarde voor landbouw, grotendeels gedomineerd door enkele agrarische multinationals en veeteeltconcerns. Er wordt overigens meer dan genoeg voedsel geproduceerd om de hele wereldbevolking ruimschoots te voeden, maar een enorm deel gaat verloren door verspilling, winstgedreven distributie en productie voor alleen dierlijke consumptie, terwijl honderden miljoenen mensen honger lijden. De technieken om duurzamer en efficiënter te produceren zijn er, maar onder het kapitalisme blijven dat nicheprojecten of marketinginstrumenten. Betere technieken moeten systematisch worden uitgerold, niet omdat ze een “ecologisch verantwoorde markt” moeten aanprijzen, maar omdat ze rationeel zijn: minder land, watergebruik en chemische input voor meer en gezondere voeding.
Een verdere, rationele en geplande revolutie van de landbouw zou meteen ruimte scheppen voor grootschalige herbebossing en natuurherstel, essentieel om CO₂ uit de atmosfeer te halen en biodiversiteit te redden. Onderzoek laat zien dat het mogelijk is om honderden miljarden bomen te planten op een fractie van de huidige landbouwgrond en daarmee een substantieel deel van de historische uitstoot op termijn weer op te nemen. Maar daar zit geen snelle winst in, dus gebeurt het nu niet. In een socialistisch plan daarentegen moet natuurherstel een uitdrukkelijk doel worden, dat mee wordt gepland naast voedselproductie en bewoning.
Ook de bebouwde omgeving vraagt een revolutionaire aanpak. De flats en rijtjeshuizen waarin grote delen van werkende mensen wonen, zijn vaak slecht geïsoleerd, slecht geventileerd en liggen in versteende wijken met weinig groen.. De kennis om anders te bouwen bestaat ruimschoots, maar wordt alleen toegepast in rijke buurten of toeristische gebieden: passieve koeling, groene daken, waterdoorlatende bestrating, wijkparken, koelte‑corridors, overstorten voor piekregen, noem maar op. Maar zolang bedrijventerreinen worden neergezet waar de grond het goedkoopst is en woningbouw afhangt van projectontwikkelaars die per vierkante meter maximale winst willen, blijven klimaatbestendige, gezonde wijken uitzonderingen in plaats van de norm. Het is essentieel om de bouwsector te nationaliseren en onder arbeiders- en bewonerscontrole te plaatsen, grond in gemeenschappelijk eigendom brengen en stadsontwikkeling plannen op basis van sociale en ecologische criteria, etc., etc.
Belangrijk in dit alles is dat de zogenaamde “groene transitie” niet wordt opgevat als een technocratisch project van bovenaf, maar als een proces van klassenstrijd. De huidige transitievormen zijn grotendeels in de handen van het burgerlijke establishment en grote bedrijven, die de kosten op de werkende klasse proberen op te leggen, terwijl de concentratie van rijkdom toeneemt. Niet toevallig roepen ze “rechtvaardige transitie” uit tot slogan, maar proberen ze die in te vullen binnen de grenzen van het kapitalistische systeem. Overigens bedoelde de oorspronkelijke bedenker van die term, de Amerikaanse vakbondsman Tony Mazzocchi, iets heel anders: niet een pakketje sociale vangnetten, maar een fundamentele overgang naar een andere manier van produceren, waarin de gezondheid en het welzijn van arbeiders centraal staan en arbeiders invloed hebben op wat en hoe er geproduceerd wordt. Voor Mazzocchi was “rechtvaardige transitie” geen cosmetische toevoeging aan verder ongewijzigd kapitalistisch beleid, maar een breuk met het naoorlogse sociale contract in de Verenigde Staten waarin vakbonden hun zeggenschap over het productieproces hadden ingeruild voor loonstijgingen. Hij zag dat zolang kapitaal beslist wát er gemaakt wordt en hóe dat gebeurt, arbeiders altijd de prijs betalen: met hun gezondheid, hun banen en uiteindelijk met de leefbaarheid van hun woonomgeving en planeet.
Die oorspronkelijke betekenis van “rechtvaardige transitie” en hoe het verdraaid is in onze politieke discours legt bloot het feit dat klimaatverandering geen losstaand milieuprobleem is, maar een uitdrukking is van de manier waarop onder kapitalisme geproduceerd wordt. Mazzocchi’s definitie maakte duidelijk dat een serieuze transitie niet kan bestaan uit “ecologisch verantwoorde, maar winstgevende groei” plus wat sociaal beleid, maar een verschuiving vergt van de macht over de productie: weg van aandeelhouders en management, naar de werkende klasse zelf. Het gaat er niet om dat arbeiders een beetje worden opgevangen wanneer “hun” vervuilende fabriek sluit, terwijl elders of in andere landen vervuilende productie opduikt en wordt uitgebreid. Hoe vaak hoor je niet dat we hier in Nederland niet meer hoeven te doen aan het klimaat omdat China en India een stuk vervuilender zijn? Het gaat erom dat het internationale proletariaat collectief kan beslissen dat vervuilende productie überhaupt niet langer wenselijk is, en dat de bestaande kennis, machines en vaardigheden beter kunnen worden ingezet voor andere doelen.
Het moet duidelijk zijn dat de oplossing niet ligt in individuele consumptiekeuzes, niet in morele appèls aan politici en CEO’s, maar door collectief handelen vanuit de klasse die de samenleving draaiende houdt. Klimaatstrijd is klassenstrijd. Dat betekent niet dat elk klimaatprotest automatisch de revolutie dichterbij brengt, noch dat we reactionaire klimaatplannen van rechtse partijen moeten steunen – denk bijvoorbeeld aan de boerenprotesten die door rechtse partijen worden gekaapt of aan partijen die milieuregels willen slopen in naam van “de hardwerkende Nederlander”. Maar het betekent wel dat de doorslag zal worden gegeven in de arbeidersbewegingen en revolutionaire organisaties om een duidelijk antikapitalistisch klimaatprogramma naar voren te schuiven, dat enerzijds onverbiddelijk breekt met fossiele belangen en anderzijds de levensstandaard en rechten van arbeiders verdedigt en uitbreidt.
Marx en Engels benadrukten dat alleen een bewuste organisatie van de maatschappelijke productie, waarbij productie en distributie op een geplande manier verlopen, de mensheid op maatschappelijk vlak boven het dierenrijk kan verheffen. Nu, met een klimaat dat kantelpunt op kantelpunt afstevent, is die stelling dodelijk concreet geworden. We kunnen de beschikbare wetenschap en techniek gebruiken om het klimaat te redden, maar alleen als we de macht van het kapitaal breken en de productiemiddelen in gemeenschappelijke handen brengen. Doen we dat niet, en laten we de kapitalisten hun gang gaan, dan zijn de perspectieven duidelijk: groeiende hittestress die de klassenverhoudingen nog scherper zal blootleggen, steeds vaker falende netwerken en infrastructuur, migratiegolven, water- en voedselconflicten, autoritaire reacties van staten die “orde” willen herstellen te midden van ecologische chaos.
Het is de taak van de werkende klasse om een einde te maken aan dit langdurige proces van de doodstrijd van het kapitalisme, door zijn revolutionaire omverwerping en de wederopbouw van de maatschappij van boven naar beneden. Het bestaan van het kapitalisme vormt nu een duidelijke en actuele bedreiging voor de toekomst van de planeet Aarde. Opdat de mensheid kan leven, moet het kapitalistische systeem sterven.



