international marxist tendency nederland

Koning Willem-Alexander verklaarde op 10 maart tijdens een staatsbezoek aan Indonesië dat hij namens Nederland zijn verontschuldigingen wilde aanbieden voor het geweld van Nederlandse zijde tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd.

In de Nederlandse politiek werd er van links tot rechts vol lof gesproken over deze beslissing. Alles met het idee dat "Nederland fout was geweest" en dat we dat als collectief moeten erkennen, om "het verleden af te sluiten", vindt men immers geweldig. Nederland is nu een formeel gelijkwaardige handelspartner van Indonesië. De hedendaagse winsten van het Nederlands kapitaal zijn belangrijker dan zaken die 70-75 jaar geleden speelden. Overigens zijn veel van de 'Indiëgangers' al overleden, wat ervoor zorgt dat er minder discussie zal zijn over dit gebaar van de koning.

Het enige partijpolitieke protest tegen deze beslissing kwam van Thierry Baudet, de leider van Forum voor Democratie, die stelde: "Steeds maar weer “sorry”, steeds maar capituleren. Als nazaat van trotse Indische Nederlanders schaam ik me voor de Nederlandse regering die onze geschiedenis miskent en de tegen onze bevolkingsgroep gepleegde misdaden negeert." Oftewel, een herhaling van het oude “Indië verloren, rampspoed geboren”, waarbij hij zich leek te richten op de Indische Nederlanders. Buiten de partijpolitiek kwam er protest vanuit Indisch-Nederlandse organisaties als de FIN.

Wat is er nu echt gebeurd tijdens de dekolonisatieperiode en de 'politionele acties'? Hoe moeten we dit als marxisten analyseren? Om deze vraag te beantwoorden, moeten we kijken naar het gehele proces van Nederlandse kolonisatie van Indonesië.

Eeuwen van uitbuiting en onderdrukking

De connectie tussen Nederland en Indonesië begint met de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) in 1602. Indonesië bestond niet: er waren hier vele verschillende volkeren met verschillende talen en culturen.

De Nederlandse bourgeoisie had de politieke macht veroverd nadat ze in 1588 na een lange strijd tegen het Spaans-Habsburgse rijk uiteindelijk een onafhankelijke Republiek had verkregen. Om het proces van kapitaalaccumulatie voort te zetten, risico's te delen en onderlinge strijd tussen de verschillende koopmannen te verminderen, werd de VOC opgericht als naamloze vennootschap die van de Republiek een monopolie kreeg op handel op ‘de Oost’.

De VOC was een monopoliebedrijf, maar handelde als een staatsmacht. Handel ging gepaard met oorlogsvoering, diplomatie en het bezit van forten en stukken grondgebied. Dit waren geen kleine activiteiten. Gouverneur-generaal J.P. Coen wilde in 1621 de Banda-eilanden veroveren om controle over de toen zeer waardevolle nootmuskaat te verkrijgen. Dit leidde tot de moord op de lokale bevolking en haar vervanging door slaven. Een ander voorbeeld: om het monopolie op kruidnagelen in stand te houden, zorgde de VOC dat enkel op Ambon kruidnagelbomen groeiden, waarvan de kruidnagel enkel aan de VOC geleverd werd. 'Illegale' kruidnagelbomen op andere eilanden werden omgehakt, waarna de bevolking gestraft werd door het platbranden van dorpen. De VOC hield zich daarnaast ook bezig met slavenhandel en met opiumhandel.

Karl Marx had het volgende te zeggen over de accumulatie van de VOC: "De geschiedenis van het Hollandse koloniale beheer — en Holland was de kapitalistische modelnatie van de zeventiende eeuw — ‘onthult een niet te overtreffen beeld van verraad, omkoperij, sluipmoord en laagheid.’ Niets is typerender dan hun systeem van mensenroof op Celebes om slaven voor Java te krijgen. De mensenrovers werden voor dit doel opgeleid. De dief, de tolk en de verkoper waren de hoofdagenten in deze handel, de inheemse vorsten waren de voornaamste verkopers. De gestolen jeugd werd in de geheime gevangenissen van Celebes verborgen gehouden, totdat zij rijp was voor verzending op de slavenschepen. In een officieel rapport kunnen we lezen: ‘Deze ene stad van Makassar bijvoorbeeld zit vol met geheime gevangenissen, de één nog afschuwelijker dan de ander, volgepropt met ongelukkigen, slachtoffers van hebzucht en tirannie, geketend, met geweld aan hun gezinnen ontrukt.’ Om zich meester te maken van Malakka kochten de Hollanders de Portugese Gouverneur om. Hij liet hen in 1641 de stad binnen. Zij snelden direct naar zijn huis en vermoordden hem ten einde zich te ‘onthouden’ van betaling der omkoopsom van £21.875. Waar zij ook gingen, waren verwoesting en ontvolking het gevolg. Banjuwangi, een provincie op Java, telde in 1750 meer dan 80.000 inwoners, in 1811 nog slechts 8.000 inwoners. Dit is de doux commerce (lieflijke handel)!" (Kapitaal, hoofdstuk 24)

Zo wist de VOC een enorme rijkdom te vergaren die in handen kwam van de kapitalisten van de Nederlandse Republiek. Het koopmanskapitaal kon verder geïnvesteerd worden in de manufactuur, de landbouw en in de financiële sector. Uiteindelijk gebeurde voornamelijk dat laatste, waar leningen aan Engeland ervoor zorgden dat Nederland door Engeland voorbijgestreefd werd als wereldmacht en Nederland in verval raakte en een rentenierstaat werd.

De VOC had controle over vele forten in Oost-Indië, maar liet grotendeels de lokale elites aan de macht en had slechts een deel van het grondgebied direct in handen. Dit veranderde eind 18e eeuw, toen de VOC failliet ging en genationaliseerd werd in 1795. De Nederlandse staat kreeg toen ineens het bezit van de kolonie in handen en zou dit in de komende decennia steeds meer proberen uit te breiden, tot de grenzen van het huidige Indonesië.

Het jaar 1830 was hierbij een keerpunt. Dat jaar vond de afscheiding plaats van België, het meest geïndustrialiseerde deel van het koninkrijk der Nederlanden. Het was duidelijk dat de Noord-Nederlandse bourgeoisie hiervoor wilde compenseren, om niet achter te raken. Koning Willem I had eerder de Nederlandse Handel-Maatschappij opgericht om handel en industrialisering te bevorderen. Vanaf nu ging deze zich geheel richten op het verkrijgen van producten uit Oost-Indië door middel van het beruchte Cultuurstelsel.

Hierbij moesten boeren verplicht een deel van hun grond gebruiken voor de teelt van koffie en suiker, om zo cash crops te realiseren voor de export naar Nederland om deze in Europa te verkopen. Daarnaast moesten zij allerlei 'herendiensten' verrichten en vloeide een groot deel van hun loon uiteindelijk weer terug naar de koloniale staat in de vorm van belastingen. Dit was een enorme uitbuiting van de lokale boeren, met weinig investeringen, maar waarbij zij vier keer zoveel werk moesten verrichten als voorheen. Tussen 1840-59 alleen werd er 300 miljoen gulden hieraan verdiend. De Twentse textielindustrie werd opgericht op basis van dit kapitaal en Indonesië werd gebruikt als afzetmarkt voor dit textiel.

In 1870 werd dit Cultuurstelsel afgeschaft om de markt meer te openen voor andere kapitalisten, maar de uitbuiting en onderdrukking van de lokale bevolking bleven gehandhaafd tot het bittere eind. Hoewel vanaf 1900 de 'Inlanders' meer betrokken werden en een deel van hen geschoold werd, hadden ze beperkte politieke rechten en mochten ze zich feitelijk niet organiseren. Oproepen tot staking was verboden. In 1927 werd er zelfs een concentratiekamp opgezet op Nieuw-Guinea, het beruchte Boven-Digoel, waar Indonesische nationalisten en communisten naartoe in ballingschap werden gestuurd. In de jaren '30 werden wegens de wereldwijde economische crisis, de lonen en levensstandaarden van de lokale bevolking met soms wel de helft tot 75% gekort. De lonen van Europese arbeiders in de kolonie werden minder of niet gekort; een duidelijke politiek van verdeel en heers met als doel om de inheemse arbeiders uit te buiten en de Nederlandse kapitalisten te verrijken. Honderden miljoenen guldens werden er verdiend aan de koffie, suiker, tabak, rubber en olie. Een van de families die een groot deel van haar rijkdom aan de uitbuiting van Oost-Indië dankt, is de familie van Oranje-Nassau.

Dekolonisatie

Het is dan ook geen verrassing dat na het einde van de bezetting door Japan (1942-45), Indonesië op 17 augustus 1945 zich onafhankelijk verklaarde van Nederland. Er was onder de massa's geen animo voor terugkeer naar de situatie van voor de Japanse bezetting. Daarnaast had de Japanse bezetting, ondanks de wrede en reactionaire aard van het Japanse imperialisme, duidelijk laten zien aan de Indonesische massa's dat de Nederlanders niet de 'natuurlijke' heersers waren en dat de Europeanen wel degelijk verslagen konden worden door Aziaten.

Het Nederlands imperialisme had andere plannen. Direct na de capitulatie van nazi-Duitsland en de bevrijding van Nederland (5 mei 1945) werden er plannen gemaakt om Indonesië terug te veroveren op de Japanners. In verschillende kranten kwamen er advertenties om hiervoor vrijwilligers te werven. Indonesië moest teruggepakt worden, hoewel werd gepoogd om de schijn hoog te houden dat een soort gemenebest opgericht zou worden van Nederland, Indonesië, Suriname en de Antillen.

Maar Nederland was zwak en steunde het aanvankelijk om Britse troepen te sturen naar Indonesië, om het gezag over te nemen van de Japanners en te vechten tegen de Indonesische opstandelingen. Nederland bereidde intussen zendingen van militairen voor. Om een grote mobilisatie op basis van dienstplicht mogelijk te maken, moest echter de grondwet aangepast worden. In april 1946 werd deze (met enkel de tegenstem van de CPN) gewijzigd. In maart waren de eerste vrijwillige troepen geland.

Tegelijkertijd voerde Nederland onder druk van de Britse en Amerikaanse bondgenoten overleg met de Republik Indonesia, om tot een compromis te komen, een 'Nederlands-Indonesische Unie'. Daarin was er geen echte onafhankelijkheid en werden de Nederlandse bedrijven en gronden beschermd tegen confiscatie, om de koloniale uitbuiting voort te zetten in gewijzigde vorm. Het doel was om een federatieve staat op te zetten, met vooral gematigde en pro-Nederlandse elementen die de macht zouden hebben en de radicalere elementen in toom zouden houden.

Terwijl er onderhandeld werd, werden Nederlandse militairen ingezet tegen de Indonesische nationalisten en ook tegen de burgerbevolking. Onderzoeker Rémy Limpach toonde in zijn boek uit 2016, De brandende kampongs van generaal Spoor, aan dat het extreme geweld structureel werd toegepast en dat het niet om enkele excessen ging, zoals voorheen altijd beweerd werd.

Volgens een recente studie van het Koninklijk Instituut voor Taal-Land en Volkenkunde (KILTV) zijn er tijdens de onafhankelijkheidsstrijd ruim 97.000 Indonesische strijders en burgers door het geweld van de Nederlandse troepen omgekomen.

Ook zijn er ruim 5.000 Nederlandse soldaten omgekomen, waarvan een groot deel bestond uit arbeiders- en boerenzonen die via dienstplicht opgetrommeld waren om met oude Britse en Canadese uniformen en wapens naar de andere kant van de wereld uitgezonden te worden, zodra Nederland eindelijk zelf was bevrijd van de wrede bezetting door nazi-Duitsland.

Omdat de oorlog veel geld kostte en de Nederlandse staat direct na de Tweede Wereldoorlog over beperkte middelen beschikte, was deze grotendeels afhankelijk van de Amerikaanse Marshallhulp. De VS stonden echter een compromis voor met de Republik Indonesia, dus men was bang dat deze financiële steun kon worden stopgezet. De eerste 'politionele actie', Operatie Product, was een agressieve poging om gebieden op Java en Sumatra te veroveren waar zich waardevolle plantages, olie-installaties en havens bevonden. Het idee was dat deze inkomsten zouden kunnen genereren die de voortzetting van de koloniale oorlog mogelijk zouden maken.

Internationale druk keerde zich echter steeds meer tegen Nederland. De bredere koloniale revolutie, de opkomst van de USSR, de vergrote macht van de VS over de Europese landen betekende dat Nederland niet langer haar vroegere rol kon spelen. In 1948 sloeg de Indonesische regering een lokale opstand neer in Madiun, waarbij door de PKI geleide milities een rol speelden. Dit was bewijs voor de VS dat ze de Republik Indonesia verder moesten steunen. De VS pleitten voor onafhankelijkheid en begonnen economische investeringen in de Republik te doen, als middel om Indonesië in de zich ontluikende Koude Oorlog in het Amerikaanse kamp te krijgen.

Het geïsoleerde Nederland wilde echter nog één wanhopig offensief inzetten om de Republik omver te werpen. Op 19 december 1948 vond de ‘tweede politionele actie’, Operatie Kraai plaats. Nederlandse troepen begonnen een offensief en wisten alle belangrijke steden op Java en Sumatra te veroveren. De Republikeinse hoofdstad Jogyakarta werd veroverd en de Republikeinse regering (inclusief Soekarno) werd gevangengezet.

Dit betekende echter niet dat de Nederlandse regering nu haar doelen bereikt had. Vanaf het platteland begonnen de nationalisten een guerrillastrijd tegen het Nederlandse leger. Daarnaast was het duidelijk dat de gewijzigde internationale verhoudingen nu een doorslaggevende rol zouden spelen. Het Amerikaans imperialisme leunde tot nu toe het ene moment op Nederland en het andere op de Republik Indonesia om tot een compromis te komen. Operatie Kraai was echter de druppel. De Amerikaanse regering dreigde nu om de Marshallhulp aan Nederland stop te zetten. De militaire kosten voor Nederland waren al gelijk aan bijna de helft van de totale Marshallhulp. Dit betekende het einde voor de Nederlandse militaire acties. Er begonnen nieuwe onderhandelingen in 1949 en aan het einde van het jaar vond de soevereiniteitsoverdracht plaats op 27 december.

Om de Nederlandse bondgenoot te compenseren, zetten de Amerikanen Indonesië onder druk om akkoord te gaan met het overnemen van de koloniale schulden van Oost-Indië vanaf de Japanse bezetting. Dit kwam neer op het terugbetalen van de kosten van de Nederlandse militaire strijd tegen Indonesië, ter waarde van 4,3 miljard gulden (vandaag omgerekend €19 miljard). Tussen 1950 en 1956 heeft Indonesië ongeveer 3,7 miljard gulden betaald (vandaag omgerekend €16 miljard), wat een enorme last was op de jonge Republik maar een grote stimulans gaf aan de Nederlandse naoorlogse heropbouw. Ter vergelijking, de totale Marshallhulp was $1,1 miljard, wat vandaag ongeveer gelijk is aan €10 miljard.

De kwestie van geweld

De koning heeft nu excuses aangeboden voor het geweld bij de dekolonisatie. Dat geweld was echter enkel een middel. Wat was het doel? De gehele politiek om Indonesië opnieuw in handen te krijgen na de Japanse bezetting wordt buiten beschouwing gelaten. Als Nederland dit bereikt zou hebben zonder geweld, was het dan allemaal in orde geweest? Nee, dat zou immers hebben betekend dat de imperialistische uitbuiting en onderdrukking zich had kunnen voortzetten als gevolg van misleiding van de Indonesiërs.

De zogenaamde 'politionele acties' om het Nederlandse gezag in Indonesië te herstellen met twee militaire expedities waren een evident misdadige imperialistische wanhoopspoging om de geest terug in de fles te krijgen en de winsten voor het Nederlandse bedrijfsleven en de plantage-eigenaren veilig te stellen. Ze kunnen niet los worden gezien van de 350 jaar overheersing en uitbuiting van de bevolking van het huidige Indonesië. De Indonesiërs vochten een gerechtvaardigde strijd tegen deze onderdrukking: dat is het belangrijkste.

Natuurlijk werd er geweld gebruikt aan de kant van de Indonesische opstandelingen. Indisch-Nederlandse organisaties en reactionaire nationalisten wijzen daar maar graag op om te stellen dat de excuses van de koning 'eenzijdig' waren. Echter, het slaat nergens op om het geweld van beide zijden gelijk te stellen. In tegenstelling tot wat verschillende moraalridders beweren, bepaalt het doel wel degelijk uit of het middel (geweld) gerechtvaardigd is. Het geweld van Indonesische jongeren die hun jonge onafhankelijke Republiek verdedigen tegen een poging van de oude kolonisator om hen opnieuw te onderwerpen, verschilt van het geweld van de oude kolonisator om de controle terug te krijgen over plantages en de plaatselijke bevolking te onderwerpen.

Van Indisch-Nederlandse zijde (zowel Nederlandse als Indo-Europees gemengde inwoners) zijn er op basis van verschillende schattingen 5.000-30.000 burgers omgekomen. Er was hier ook sprake van excessen tegen onschuldigen en deze zijn te betreuren, maar ze veranderen fundamenteel niets aan de aard van de Nederlandse militaire acties. Deze waren al lang gepland voordat Soekarno de onafhankelijkheid uitriep. Vlak na de capitulatie van de Duitsers stonden er al de eerste oproepen in de kranten om vrijwilligers te werven voor militaire expedities naar Indonesië. De excessen werden later geheel overschaduwd door het structurele geweld van het Nederlandse imperialisme.

Als het de Nederlandse staat echt te doen was om het welzijn van de Indische Nederlanders, zou deze geen militaire expedities sturen, maar zou deze onmiddellijk de onafhankelijkheid erkennen. Juist omdat de Indonesiërs wisten dat Nederland de macht terug zou pakken na de Japanse capitulatie, wat bevestigd werd door het verschijnen van Britse en Nederlandse troepen, sloeg de vlam in de pan. Nederland trachtte daarentegen het proces van onafhankelijkheid zoveel mogelijk uit te stellen en te dwarsbomen, via een combinatie van diplomatie en militair machtsvertoon, totdat dit uiteindelijk door Indonesisch verzet en Amerikaanse politiek-economische druk onmogelijk werd.

Het was geen kwestie van het Nederlandse en Indo-Europese volk tegen het Indonesische volk, gedreven door nationale of raciale tegenstellingen. Het was een bevrijdingsstrijd van Indonesiërs tegen het Nederlandse imperialisme. Er waren ook Indo-Europeanen die voor Indonesische onafhankelijkheid streden, zoals Ernest Douwes Dekker, de achterneef van de schrijver Multatuli. Er bestond ook een lange traditie van verzet en solidariteit met de Indonesiërs in Nederland zelf.

Een geschiedenis van solidariteit in Nederland

De onderdrukking en uitbuiting van 'Indië', leidde ook tot verzet in Nederland. Eduard Douwes Dekker, beter bekend onder zijn pseudoniem Multatuli, schreef in 1859 het legendarische boek Max Havelaar, als aanklacht tegen de behandeling van de bevolking op de koffieplantages op Java tijdens het Cultuurstelsel.

Meer structurele solidariteit kwam er uit de arbeidersbeweging. Terwijl de rechtervleugel van de sociaaldemocraten altijd de retoriek van de heersende klasse volgde wat betreft de koloniale kwestie, sprak de linkerzijde zich uit voor onafhankelijkheid. Henk Sneevliet, de oprichter van de Indonesische Sociaal-Democratische Vereniging in 1914, probeerde een band te smeden tussen Europese en inheemse Indonesische arbeiders. Uiteindelijk kwam hieruit de Communistische Partij van Indonesië (PKI) uit voort.

De Communistische Partij Holland deed hetzelfde, met de leus "Indonesië los van Holland, nu!" Zij sprak zich aanvankelijk als enige partij uit voor onafhankelijkheid. Later werden ze hierin bijgestaan door Henk Sneevliet, die terug in Nederland de leider was geworden van de Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij (RSAP).

Henk Sneevliet werd veroordeeld tot 5 maanden gevangenisstraf vanwege zijn steunmanifest voor de muiterij op de Zeven Provinciën in 1933. Op dit oorlogsschip in Indonesië vond op 4 februari 1933 een muiterij plaats, uit solidariteit met een beweging van (zowel Nederlandse als Indonesische) marinemannen op Soerabaja tegen salariskortingen, waarbij verschillenden van hen werden gearresteerd. Indonesische en Nederlandse matrozen namen het schip over en wilden van Noordoost-Sumatra naar Soerabaja varen om hun gevangen kameraden te bevrijden. De Nederlandse staat had echter een andere 'oplossing' en gooide op 10 februari een vliegtuigbom op dit schip, waarbij 23 opvarenden om het leven kwamen.

In 1938 veranderde de stalinistische CPN onder druk van Moskou van standpunt. Om aan de buitenlandse politiek van Stalin te voldoen, moesten de Communistische Partijen pleiten voor een Volksfront met de 'democratische bourgeoisie' en democratische landen, tegen de fascistische landen. Om de 'democratische bourgeoisie' tegemoet te komen, werd er niet meer gepleit voor onafhankelijkheid van de kolonies, maar voor een 'gemenebest'.

De enige stromingen die echt consistent bleven in de steun voor Indonesische onafhankelijkheid, waren de RSAP en de latere Nederlandse sectie van de Vierde Internationale, de Revolutionair Communistische Partij.

Toen na de Tweede Wereldoorlog de Nederlandse regering de 'politionele acties' begon, werd dat beslist niet door iedereen in Nederland geaccepteerd. Nederland was net van de Duitse bezetting bevrijd en de economie was ingestort. Men voelde er weinig voor om nu troepen naar de andere kant van de wereld te sturen om een ander volk te onderdrukken.

Wat veelal vergeten wordt is dat de Nederlandse arbeidersklasse zich aanvankelijk verzette tegen uitzending naar Indonesië. Dinsdag 24 september 1946 was er een wilde 24-uursstaking tegen de troepenuitzending, waarbij er gestaakt werd in Amsterdam, de Zaanstreek, Velsen, Delft, Enschede en Groningen. De zaterdag ervoor was er al een demonstratie geweest in Amsterdam, waarbij de militaire politie een demonstrerende arbeider doodschoot. Door gebrek aan consistent leiderschap (en tegenwerking vanuit de Eenheidsvakcentrale) werd de beweging niet verder uitgebouwd, maar het toont aan dat de Nederlandse arbeidersklasse zich afzette tegen de koloniale politiek van de bazen. Een ander voorbeeld is dat ondanks de neergang van deze beweging, bij het eerste troepentransport naar Indonesië 15% van de dienstplichtigen niet kwam opdagen, en bij het tweede transport 22%.

Ook buiten Nederland bestond er solidariteit. Australische havenarbeiders speelden een belangrijke rol, waarbij de havenarbeidersvakbond een complete boycot op het vervoer van Nederlands wapentuig en troepentransport organiseerde.

In tegenstelling tot de propaganda van de nationalisten (en het spiegelbeeld van deze, de ideeën van de postmoderne 'dekoloniale' denkers) had de arbeidersklasse fundamenteel niets te winnen met kolonialisme, maar deelde zij juist met de koloniale bevolking een gemeenschappelijke vijand: het Nederlands grootkapitaal.

Dit is een stukje geschiedenis dat vaak vergeten wordt. Toenmalige verdedigers van kolonialisme en de militaire acties (zoals de rechtse partijen en de PvdA) praten altijd over 'de tijdsgeest' en dat men 'toen niet beter wist' en negeren zo dat er ook verzet was vanuit de Nederlandse werkende klasse tegen het kolonialisme en de militaire acties.

De moedige arbeiders die toen demonstreerden en staakten, en de dienstweigeraars werden lang als 'verraders' afgeschilderd. Voor onderduiken kwam je twee jaar in de cel terecht. Pas in 1979 staakte de Militaire Politie de zoektocht naar onderduikers. Communistische verzetsheld Piet van Staaveren (Pitojo Koesoemo) liep over naar Indonesische zijde en kreeg daar later 6 jaar cel voor. Hij werd expres vastgezet tussen NSB'ers om hem extra te vernederen. Deze laatsten kregen overigens wel vaak na een paar jaar gratie. Dit alles laat zien: excuses en eerherstel voor de heldhaftige dienstweigeraars, deserteurs en stakers zou op zijn plaats zijn.

De kwestie van de Molukkers en Papoea

Een van de manieren waarop de Nederlandse heersende klasse eeuwenlang Indonesië kon domineren, was door te balanceren tussen de leiders van de verschillende eilanden en bevolkingsgroepen. Tijdens de bevrijdingsoorlog van Indonesië gebruikte ze dezelfde tactieken, door voor te stellen dat er een gemenebest zou komen met verschillende autonome gebieden, in plaats van de macht te overhandigen aan de nieuwe verenigde Republik Indonesia.

Dit zette ze na 1949 door met het gebruik van de Molukse en Papoea vraagstukken. Zoals zo vaak in de geschiedenis zien we ook hier hoe nationale minderheden gebruikt worden als pionnen door imperialistische grootmachten. Ze worden gebruikt voor imperialistische doeleinden, tot ze niet langer nuttig zijn en ze verraden worden.

De Zuid-Molukkers vochten als elitesoldaten in het koloniale leger, het KNIL, en aan hen werd een autonome/onafhankelijke republiek beloofd door Nederland. Door de Republik Indonesia werd dit gezien als een poging van Nederland om een marionettenstaat op te zetten, wat in feite ook zo was.

De Republik Maluku Selatan (RMS) werd in april 1950 op Ambon uitgeroepen, maar werd militair verslagen in november van hetzelfde jaar. De RMS zette de strijd voort in guerrillavorm op het eiland Seram, totdat haar troepen verslagen werden in 1963, waarbij president Chris Sumoukil gevangengenomen werd. Deze werd in 1966 geëxecuteerd onder Soeharto.

Intussen waren in 1951 de Molukse KNIL-soldaten en hun families naar Nederland gekomen (in totaal ongeveer 12.000 mensen). Zij werden 'tijdelijk' gehuisvest in barakken (waaronder voormalige nazi-kampen), geïsoleerd van de Nederlandse samenleving, totdat ze weer teruggezonden zouden worden naar de toekomstige internationaal erkende RMS.

De Nederlandse heersende klasse was internationaal niet echt in een positie om veel te doen voor de Molukse kwestie en gaf vooral valse hoop. Nochtans vonden er van Nederlandse zijde wel clandestiene acties plaats, veelal door reactionaire militaire elementen die tegen de Republik Indonesia hadden gevochten. Raymond Westerling, kapitein van het Korps Speciale Troepen, bekend om het gebruik van systematische terreur op Sulawesi en een mislukte couppoging op Java in 1950, was betrokken bij een netwerk van extreemrechtse elementen die steun leverden. Erik Hazelhoff Roelfzema ('Soldaat van Oranje'), die in 1947 betrokken was bij een couppoging in Nederland, werd in 1951 betrokken in een poging van Admiraal Helfrich om wapens te leveren aan de Molukkers, etc. Dit waren avonturistische acties van reactionairen die het niet trokken dat 'Indië verloren was' en uiteindelijk niets konden betekenen.

Het herstel van de betrekkingen met Indonesië onder Soeharto in 1970 betekende dat de Nederlandse heersende klasse in feite haar pogingen had gestaakt om de RMS te gebruiken als haar gereedschap in de voormalige kolonie. Het was duidelijk dat er niets 'tijdelijks' was aan het verblijf van de Molukkers. Dit zorgde voor een golf van radicalisering onder Molukse jongeren, die in de jaren '70 overgingen tot een reeks individuele terreuracties (kapingen en gijzelingen), om de Nederlandse staat te dwingen tot koerswijziging, wat mislukte. De Nederlandse staat kwam met harde repressie tegen de Molukse jongeren, gevolgd door concessies om de sociale achterstand van Molukkers in Nederland weg te werken.

De nieuwe generatie Molukkers is vrijwel geassimileerd in de Nederlandse samenleving. De kwestie van de RMS is echter niet uitgespeeld. Er heerst een sterk gevoel dat de Nederlandse staat excuses moet aanbieden voor de behandeling van de Molukkers, wat zeer terecht is. Echter, de huidige Nederlandse staat, die onder controle is van het Nederlands kapitalisme, kan nooit een progressieve rol spelen. De enige echte bondgenoten voor de Zuid-Molukse werkers en jongeren, in Nederland en in Indonesië, zijn de georganiseerde arbeidersklasse. Door middel van strijd kunnen zij zorgen voor gelijke kansen, een einde maken aan achterstand (in Nederland) en recht van zelfbeschikking voor alle onderdrukte nationaliteiten veiligstellen (in Indonesië).

Ook de de Papoea's werden eenvoudigweg gebruikt. Zij zouden niet eens echt zelfbestuur krijgen van Nederland, maar West-Papoea zou een nieuw thuisland worden voor Indische Nederlanders die over de Papoea's zouden heersen. Nederland bleef vasthouden aan West-Papoea en dit leidde bijna tot oorlog met Indonesië in 1962.

Uiteindelijk was het de neergang van het Nederlands imperialisme in de context van de Koude Oorlog die de situatie veranderde. Het Amerikaans imperialisme oefende druk uit op Nederland om West-Papoea over te dragen aan Indonesië, om het regime van Soekarno, dat zowel op de VS als op de USSR leunde, dichter bij het Amerikaanse kamp te krijgen. Deze vernedering voor Nederland zorgde ervoor dat haar rol als onafhankelijke imperialistische macht definitief uitgespeeld was en dat de heersende klasse zich nog meer ondergeschikt maakte aan de VS.

Een door de VN beloofd referendum op Papoea werd in 1969 op misvormde wijze uitgevoerd onder het regime van Soeharto, de zogenaamde 'Act of Free Choice'. In plaats van een echte volksstemming koos het Indonesische leger 1.026 stamoudsten uit die voor inlijving bij Indonesië kozen. Dit was het begin van de plundering en uitbuiting van West-Papoea door grote mijnbouwbedrijven als Freeport-McMoRan.

Het is echter een illusie te denken dat als Nederland niet onder druk was gezet door de VS, de zaken er allemaal beter voor hadden gestaan. De enige bondgenoot van de Papoea's is de internationale arbeidersbeweging, inclusief die in Indonesië. In 2019 kwam de kwestie van West-Papoea opnieuw op met massaprotesten tegen discriminatie van Papoea's in Indonesië. De meest geavanceerde elementen (waaronder de Indonesische marxisten) zetten zich in tegen discriminatie en voor een referendum over zelfbeschikking.

Het Nederlands imperialisme probeerde de kwestie van de Papoea's en Molukkers te gebruiken tot het een overeenkomst kon sluiten met Soeharto. In plaats van in het Nederlands imperialisme te vertrouwen kan enkel de verenigde klassenstrijd in Indonesië een echte oplossing bieden voor het nationale vraagstuk.

De Nederlandse heersende klasse na 1965

Na de nederlaag van 1962, voelde de Nederlandse heersende klasse zich geheel verraden. Het oude koloniale rijk was ingestort en het was nodig om een nieuwe koers te kiezen. Nederland zou vanaf nu qua buitenlandse politiek steeds meer onderworpen worden aan het Amerikaans imperialisme en zou, net als het Verenigd Koninkrijk, een van de meest 'atlanticistische' landen worden. Om te zorgen dat men niet geheel onderworpen was aan alle dictaten van de VS werd er op economisch gebied hecht samengewerkt binnen de Europese Gemeenschap.

Het jaar 1965 was een keerpunt in Indonesië. Er voltrok zich een staatsgreep van generaal Soeharto, die een einde maakte aan de revolutionaire situatie. President Soekarno werd onder huisarrest geplaatst en het leger, met behulp van criminele bendes en islamitisch fundamentalisten, begon een campagne van massale repressie en moord tegen (vermeende) leden van de PKI. Dit was een wrede kapitalistische contrarevolutie, gesteund door de CIA.

Voor de Nederlandse heersende klasse betekende dit een nieuw begin, een kans om iets terug te winnen van wat zij verloren was. De betrekkingen werden met behulp van de VS hersteld in 1968. In 1970 kwam de moorddadige Soeharto op staatsbezoek in Nederland, gevolgd door een koninklijk bezoek aan Indonesië in 1971. Soeharto kwam een regeling overeen om van 1973 tot 2003 de resterende 600 miljoen gulden schuld aan Nederland terug te betalen. Volgens minister Luns was er hierbij sprake van 'Nederlandse edelmoedigheid', aangezien Nederland geen compensatie vroeg voor de 4,5 miljard gulden aan genationaliseerde Nederlandse bezittingen in Indonesië. Een zieke grap om na 350 jaar van koloniale overheersing te spreken van 'edelmoedigheid'... Dit was het begin van nieuwe betrekkingen tussen Nederland en Indonesië, met nieuwe kansen voor het Nederlands kapitaal.

De toenadering met Soeharto laat zien dat de Nederlandse heersende klasse de kwestie van 'mensenrechten' enkel gebruikt wanneer het haar uitkomt. Vergelijken we bijvoorbeeld de houding tegenover Soeharto met die tegenover een andere Nederlandse ex-kolonie, Suriname. De militaire regering-Bouterse pleegde in 1982 de Decembermoorden, de moord op 15 tegenstanders. Deze executies zijn vele malen meer veroordeeld door de Nederlandse heersende klasse en politici, dan de ruim 1 miljoen mensen die door Soeharto zijn vermoord. Het verschil is dat Soeharto iemand was die de betrekkingen met het Westen verbeterde, terwijl Bouterse een element was dat een meer ongebonden politiek wilde en een onafhankelijkere koers van Nederland en de VS ging varen dan zijn voorganger Henck Arron.

Hetzelfde is het geval met het nationale vraagstuk van de Molukkers en Papoea. Economische belangen speelden de hoofdrol en de Molukkers en Papoea werden enkel op cynische wijze gebruikt, om te proberen Indonesië op te delen en te zorgen dat Nederlands kapitaal toegang zou krijgen tot deze kleinere staten. Toen duidelijk werd dat dit een doodlopende weg was, ruilde de Nederlandse heersende klasse deze tactiek in voor de erkenning en samenwerking met Soeharto.

Vandaag de dag speelt Nederlands kapitaal opnieuw een serieuze rol in Indonesië. In 2016 was Nederland, volgens het Indonesische instituut BKPM, één van de vijf grootste investeerders in het land. De Nederlandsche Bank vermeld dat er in 2016 een kleine €2 miljard geïnvesteerd werd. Indonesië exporteerde in 2017 zo'n €3,5 miljard in goederen naar Nederland (meer dan naar Vietnam en Australië), wat Nederland volgens het International Trade Centre de grootste Europese importeur van Indonesische goederen maakt. De haven van Rotterdam is de toegangspoort voor Indonesische goederen naar Europa. Indonesië biedt Nederlands kapitaal een toegang tot de ASEAN-markten.

Voor zowel de Nederlandse kapitalisten als de Indonesische kapitalisten is het belangrijk dat de 'gevoelige kwesties' uit het verleden gladgestreken worden om de investeringen en handel door te laten gaan. Daarom heeft de koning, als figuur die ‘boven de partijen’ zou staan, nu besloten om excuses aan te bieden voor 'het excessieve geweld'.

Conclusie

De Nederlandse heersende klasse is in haar benadering met betrekking tot Indonesië in de geschiedenis meerdere malen van strategie veranderd. De excuses voor het geweld tijdens de dekolonisatie markeert simpelweg het einde van een bepaalde periode, met oog op de voortzetting van banden tussen Nederlands en Indonesisch kapitaal.

Het Nederlands imperialisme krijgt nooit meer het monopolie op Indonesië. Met andere grote machten als de VS, China en Japan in de regio is dat een absurde gedachte. Nederland speelt wel een rol als belangrijke schakel tussen Indonesië en de Europese markt.

De problemen van de Molukkers en de Papoea's zullen nooit opgelost worden door de Nederlandse heersende klasse, die deze groepen op cynische wijze als pionnen gebruikte.

De Indonesische arbeidersklasse is machtiger dan ooit. Een succesvolle socialistische revolutie in Indonesië op basis van de eenheid van de arbeiders van alle bevolkingsgroepen kan een einde maken aan de autoritaire kapitalistische republiek en een arbeidersdemocratie opzetten, met het recht op zelfbeschikking voor minderheden als de Zuid-Molukkers en Papoea's.

In Nederland moeten we voorbij de hypocriete 'excuses' kijken. In plaats van te betreuren dat er 'excessief geweld' gebruikt is, moeten we degenen die verantwoordelijk zijn voor ruim 300 jaar onderwerping en uitbuiting van Indonesië, het de dood insturen van jonge Nederlandse arbeiderszonen, en de cynische omgang met de Molukkers en Papoea's aan de kaak stellen: de Nederlandse kapitalistische klasse. Enkel door de onteigening van de Nederlandse kapitalisten, wiens rijkdom gebouwd is op de eeuwenlange uitbuiting van zowel de Indonesische als de Nederlandse werkende bevolking, kunnen we de sociaal gecreëerde rijkdom gebruiken om een betere wereld op te bouwen voor iedereen en kunnen we definitief afrekenen met dit verleden, deze wrede prehistorie van de mensheid.

Deel dit artikel
FaceBook  Twitter